De constructie van een crypte vindt plaats in de absolute beginfase van de kerkbouw. Eerst volgt het grondverzet. Men graaft diep uit tot op de draagkrachtige laag, waarbij de omvang van de uitgraving de contouren van het latere koor nauwgezet volgt. Het is een proces van onderop. Men metselt de zware funderingsvoeten en opgaande muren vaak met natuursteen die bestand is tegen optrekkend vocht uit de bodem.
Centraal in de uitvoering staat de positionering van de kolommen. Deze pijlers zijn kort en massief. Ze moeten immers de enorme verticale druk van het hoofdaltaar en de stenen koorvloer weerstaan. Voor de overwelving maken ambachtslieden gebruik van houten formelen. Dit zijn tijdelijke ondersteuningsconstructies waarop de stenen van de gewelfschelpen worden gestapeld. Pas als de sluitsteen is geplaatst en de kalkmortel voldoende is uitgehard, worden de mallen verwijderd en treedt de zelfdragende werking in kracht. De krachtenafdracht verloopt dan via de gewelfribben naar de dikke buitenmuren en de centrale kolommen.
De bovenzijde van de gewelven — de zogenaamde gewelfruggen — blijft niet blootliggen. Men vult deze tussenruimtes op met een mengsel van puin, zand of lichte mortel. Dit creëert een stabiel en horizontaal vlak. Hierop wordt vervolgens de uiteindelijke vloer van de kerkzaal gelegd. Ventilatie wordt tijdens het metselen van de funderingsmuren direct geïntegreerd. Men spaart schuine kanalen uit die van de crypte naar het maaiveld buiten lopen. Deze koekoeken zorgen voor een minimale natuurlijke trek, essentieel om de luchtvochtigheid in de ondergrondse ruimte enigszins te reguleren terwijl de bovenbouw verder verrijst.
De architectonische vorm van een crypte wordt sterk bepaald door de gewenste circulatie van bezoekers en de positie van de relieken. De ringcrypte is de meest vroege variant. Deze bestaat uit een halfronde gang die de contouren van de apsis nauwgezet volgt, waardoor pelgrims dicht bij het graf van een heilige konden komen zonder de dienst in de bovenkerk te verstoren. In het centrum van deze ring bevindt zich vaak de confessio, de eigenlijke grafkamer.
Een grotere ruimtelijke variant is de hallencrypte. Hierbij is de ruimte onder het koor uitgevoerd als een drie- of meerbeukige zaal met kolommen van gelijke hoogte. Het oogt als een volwaardige ondergrondse kerk. In sommige gevallen breidt men de constructie uit tot buiten de funderingsmuren van het koor; we spreken dan van een buitencrypte of crypta exterior. Minder gebruikelijk is de stollencrypte, die bestaat uit een stelsel van smalle, haaks op elkaar staande gangen. Soms tref je een dubbelcrypte aan, waarbij twee niveaus boven elkaar zijn aangelegd om verschillende klassen relieken of hooggeplaatsten gescheiden te kunnen bijzetten.
Hoewel de termen in de volksmond door elkaar lopen, is een crypte technisch iets anders dan een grafkelder of catacombe. Een grafkelder is doorgaans een private, kleinere ruimte, vaak gesitueerd onder het schip of een zijbeuk voor de begraving van specifieke families of adel. De crypte is grootschaliger. Het is een publiek of liturgisch onderdeel van de kerkstructuur. Catacomben daarentegen zijn uitgestrekte, vaak kilometerslange gangenstelsels die losstaan van de fundering van één specifiek gebouw.
Ook het verschil met een souterrain of gewone kelder is evident. Een crypte heeft een sacrale functie en een directe constructieve relatie met het hoofdaltaar. De gewelfdruk is daarop berekend. Geen opslag voor goederen, maar een plek voor rituelen. Soms wordt de term benedenkerk gebruikt wanneer de crypte zo groot en hoog is dat er reguliere missen kunnen plaatsvinden, zoals men vaak ziet bij grote bedevaartskerken waar de toestroom van gelovigen simpelweg te groot is voor de bovenbouw alleen.
Stel je een romaanse abdijkerk voor tijdens een hoogtijdag. Boven zingt het koor. Beneden, in de ringcrypte, schuifelen pelgrims door een smalle, halfronde gang. Ze lopen direct onder de apsis. De ruimte is krap. De muren zijn van ruwe natuursteen. Via een kleine opening in de centrale muur, de confessio, kijken ze naar de reliekschrijn die precies onder het hoofdaltaar is geplaatst. Constructie en liturgie vallen hier samen.
Een bouwkundige inspecteert de fundering van een kathedraal. Hij daalt af naar de hallencrypte. Het is een woud van korte, gedrongen zuilen. Elke kolom draagt een enorm gewicht. Hij kijkt naar de aanzet van de kruisgewelven. Hier is geen ruimte voor decoratie; alles draait om verticale krachtenafdracht. De lucht is muf. Hij controleert de schuine ventilatiekanalen, de koekoeken, om te zien of ze niet verstopt zijn met bladresten van het kerkhof buiten. Zonder die trek slaat het vocht direct op de muren.
In een bekende bedevaartplaats is de bovenkerk te klein voor de stroom bezoekers. De crypte is hier uitgevoerd als volledige benedenkerk. Het is geen donker hol. Het is een lichte, gewelfde zaal met een eigen altaar. De vloer waarop de mensen staan, rust op de massieve funderingsvoeten die meters diep de grond in gaan. Architecturaal is het een dubbelgebruik van de funderingsruimte. Efficiënt. Robuust. Een fundering waar je in kunt bidden.
De status van een crypte is juridisch complex zodra er menselijke resten aanwezig zijn. De Wet op de lijkbezorging (Wlb) is hierin onverbiddelijk. Hoewel het bijzetten van overledenen in kerken sinds 1829 in principe verboden is, blijven bestaande crypten onder de werkingssfeer van deze wet vallen wat betreft grafrust en beheer. Een crypte wordt vaak aangemerkt als een bijzondere begraafplaats. Het ruimen van resten? Dat vereist strikte procedures en vaak toestemming van nabestaanden of de gemeente. De wet beschermt de integriteit van de laatste rustplaats, ongeacht de leeftijd van de botten. Bij herbestemming van een kerkgebouw vormt de aanwezigheid van een crypte met menselijke resten vaak een aanzienlijke juridische barrière voor commerciële exploitatie.
Bijna elke historische crypte in Nederland geniet bescherming via de Erfgoedwet. Het is een rijksmonument. Of onderdeel daarvan. Dit betekent dat de instandhoudingsplicht geldt. Je mag niet zomaar een gat in een dertiende-eeuws gewelf boren voor een nieuwe lift. Elke wijziging die de constructieve integriteit of de historische waarde aantast, is vergunningplichtig. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hanteert hierbij strenge richtlijnen. De crypte fungeert als fundering voor het bovenliggende koor; ingrepen beneden hebben direct effect op de stabiliteit boven. Juridisch gezien rust op de eigenaar de plicht om verval, bijvoorbeeld door optrekkend vocht of zoutuitbloeiing, actief tegen te gaan.
Zodra een crypte wordt opengesteld voor publiek of functioneert als 'benedenkerk', treedt het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) in werking. De eisen voor brandveiligheid en vluchtwegen zijn streng. Eén smalle spiltrap als enige in- en uitgang? Dat mag vaak niet meer bij grotere groepen bezoekers. Ventilatie is een ander kritisch punt. Niet alleen voor de luchtvochtigheid, maar ook vanwege de mogelijke ophoping van radongas of verstikkende gassen in slecht geventileerde ondergrondse ruimtes. De Arbowet stelt daarnaast eisen voor personeel dat in deze besloten ruimtes werkt. Inspecties moeten veilig kunnen plaatsvinden. Licht. Lucht. Ruimte om te bewegen. Het is een spanningsveld tussen de historische beperkingen en de moderne veiligheidseisen.
De oorsprong ligt in de vroegchristelijke martyria. Kleine, vaak provisorische grafkamers buiten de stadsmuren. Toen het christendom staatsreligie werd, trok men deze plekken de stad in en bouwde men kerken over de graven heen. De architectuur volgde de noodzaak. In de Karolingische periode, rond de 8e eeuw, ontstond de ringcrypte. Een technische oplossing voor een logistiek probleem: pelgrimsstromen. Door een halfronde gang te metselen onder de apsis, konden gelovigen circuleren zonder de liturgie boven te verstoren. Het was puur functioneel metselwerk.
De romaanse architectuur tilde de crypte naar een constructief hoogtepunt. Kerken werden groter. Zwaarder. De hallencrypte bood de oplossing voor de enorme druk van het stenen koorgewelf. Men bouwde een woud van korte zuilen die de vloer van de bovenkerk droegen. Dit was de gouden eeuw van de crypte. Constructie en religieuze beleving waren hier onlosmakelijk verbonden. Dikke muren. Lage kruisgewelven. Een massieve basis.
Met de komst van de gotiek in de 12e eeuw verloor de crypte zijn populariteit. De bouwtechniek veranderde fundamenteel. Men wilde licht. Verticaliteit. De druk van de gewelven werd niet langer naar dikke fundamenten onder het koor geleid, maar via luchtbogen naar buiten toe. Relieken verhuisden bovendien van de duistere ondergrond naar kostbare schrijnen achter het hoogaltaar, in het volle licht van de gebrandschilderde ramen. De noodzaak voor een zware onderbouw verviel bijna volledig. Pas in de 19e eeuw, tijdens de neogotiek en neoromaanse golf, grepen architecten weer terug op de crypte, nu vaak uit nostalgie of om extra liturgische ruimte te creëren in drukke steden. De technische functie verschoof van noodzakelijke fundering naar historiserend element.