Binnenwelving

Laatst bijgewerkt: 17-01-2026


Definitie

De binnenwelving, ook wel intrados genoemd, is de holle onderzijde of de binnenzijde van een boog- of gewelfconstructie.

Omschrijving

De binnenwelving vormt de visuele afsluiting van de overspannen ruimte aan de onderkant van de constructie. Het is de concave zijde. Hier komen de koppen van de gewelfstenen, de voussoirs, samen. In de praktijk bepaalt deze lijn de doorrijhoogte. Of de vrije ruimte onder een boog. Men spreekt van de intrados om het onderscheid te maken met de extrados, de rug van de boog die meestal in de massa van het metselwerk verdwijnt. Bij schoonmetselwerk is dit het vlak waar de metselaar de hoogste precisie moet leveren, want terwijl de constructieve stabiliteit aan de achterzijde wordt gewaarborgd, is elke onregelmatigheid aan de onderzijde direct zichtbaar voor het oog van de kritische toeschouwer.

Uitvoering en toepassing in de praktijk

De realisatie van een binnenwelving start bij de positionering van een formeel. Deze houten mal dicteert de exacte geometrische curve. Metselwerk vordert vanaf de aanzetpunten aan weerszijden van de opening. Steen voor steun. Er wordt symmetrisch naar de kruin toe gewerkt om een gelijkmatige belasting van de ondersteuningsconstructie te waarborgen. De stenen worden zo geplaatst dat hun zichtzijde exact de contouren van het formeel volgt. Dit proces vereist uiterste precisie.

Kenmerkend voor de constructie is het verloop van de voegen. Aan de zijde van de binnenwelving zijn de mortelvoegen op hun dunst, terwijl ze naar de rug van de boog toe verbreden door de straalsgewijze plaatsing van de gewelfstenen. Dit resulteert in het typische wigvormige patroon van de voussoirs. Zodra de sluitsteen in de kruin is aangebracht, vindt de krachtenoverdracht plaats en wordt de boog zelfdragend. Het formeel wordt vervolgens voorzichtig verwijderd, een handeling die in de bouw ook wel het strijken of stelen wordt genoemd. De binnenwelving komt dan volledig in het zicht.

Bij gegoten constructies, zoals in situ gestort beton, wordt de textuur van de binnenwelving bepaald door de kwaliteit van de bekisting. Gladde platen leveren een strak oppervlak op, terwijl plankbekisting een houtnerfstructuur achterlaat. Eventuele onvolkomenheden of bramen aan de onderzijde worden na de ontkisting handmatig bijgewerkt om de visuele continuïteit van de holle vorm te herstellen. Bij natuurstenen gewelven kan de binnenwelving na montage nog worden nageslepen om een perfecte overgang tussen de verschillende segmenten te creëren.


Geometrische verschijningsvormen en profilering

De binnenwelving is onlosmakelijk verbonden met de gekozen boogvorm. Bij een rondboog spreken we van een halfronde binnenzijde. De meest zuivere vorm. De segmentboog heeft een vlakkere curve. Hier beslaat de binnenwelving slechts een fragment van een cirkel, vaak toegepast boven vensters waar de hoogte beperkt is. Dan is er de korfboog. Complexer. Meerdere middelpunten bepalen hier de straal, waardoor de welving in de hoeken sterker kromt dan in de kruin. Het resultaat is een zachte, vloeiende lijn die constructief uitdagend is om uit te zetten op het formeel.

Soms blijft het vlak niet glad. Bij monumentale architectuur zie je vaak geprofileerde binnenwelvingen. De intrados wordt dan onderbroken door kraalprofielen of diepe holtes. Dit breekt het licht. Het geeft diepte aan de overspanning. In de gotiek vinden we de spitsboog-intrados, waarbij de twee booghelften in de kruin onder een hoek samenkomen. Een scherpe breuklijn. Geen doorlopende kromme, maar een dynamisch samenspel van krachten. Bij een kruisribgewelf wordt de binnenwelving nog eens extra geaccentueerd door de ribben die de vlakken, de gewelfvelden, dragen.

Onderscheid en verwante termen

Verwarring met de dagkant ligt op de loer. De dagkant is de verticale binnenzijde van de muurdammen van de opening. De binnenwelving begint pas daar waar de verticale lijn overgaat in de kromming. De overgang tussen beide wordt gemarkeerd door de aanzetsteen of het imposten. Bij een gewelf spreekt men ook wel van het gewelfvlak. In kelders vaak ruw uitgevoerd. In kerken juist gepleisterd of beschilderd met fresco’s. De afwerking bepaalt de definitieve beleving van de binnenwelving. In de civiele techniek, bij tunnels en viaducten, wordt vaak de term boogrug-onderzijde gebruikt. Functioneel hetzelfde, maar de context verschilt. De term intrados blijft de meest technische en internationaal erkende aanduiding voor dit specifieke constructieonderdeel.


De binnenwelving in de praktijk

Een gemetselde tuinpoort met een segmentboog. Je staat eronder en kijkt recht omhoog. Wat je ziet, is de binnenwelving. De koppen van de bakstenen vormen hier een strakke, gebogen lijn. Geen uitstulpende mortel. Een verkeerd geplaatste steen stoort hier direct het zichtveld. Precisiewerk van de vakman.

In een monumentale bierkelder met troggewelfjes. De binnenwelving is hier vaak witgekalkt. Scheurvorming door zetting? Die tekent zich als eerste af in dit concave vlak. Het is ook de plek waar spots worden gericht voor strijklicht. Dat benadrukt de textuur van het metselwerk of het pleisterwerk.

Denk aan een viaduct over een provinciale weg. De onderzijde van de betonconstructie. De binnenwelving bepaalt hier de doorrijhoogte voor het vrachtverkeer. Een verkeersbord geeft die maat aan. Praktisch en onverbiddelijk. Bij inspecties wordt specifiek gezocht naar betonschade of blootliggende wapening aan dit oppervlak, aangezien dit direct invloed heeft op de veiligheid van de weggebruikers eronder.

De gemetselde haard in een landhuis. De bewoner kijkt vanuit zijn fauteuil tegen de onderzijde van de boog aan. Hier telt de esthetiek. De metselaar heeft de voegen aan de binnenwelving tot op de millimeter gelijk gehouden om een rustig beeld te creëren. Een rommelige intrados verpest het hele ontwerp.


Normering en constructieve kaders

Veiligheid en vrije doorgang

De geometrie van de binnenwelving is niet alleen esthetisch relevant, maar wordt strikt begrensd door technische voorschriften. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) zijn minimale maten voor de vrije hoogte van verkeersruimten en verblijfsgebieden vastgelegd. Voor een boogconstructie betekent dit simpelweg dat het laagste punt van de intrados de bruikbaarheid van de ruimte bepaalt. Bij publieke gebouwen is dit vaak een kritische maatstaf. Geen discussie mogelijk.

Voor de constructieve veiligheid van gemetselde bogen vormt NEN-EN 1996-1-1 (Eurocode 6) het formele kader voor het ontwerp en de berekening. Deze norm stelt specifieke eisen aan de stabiliteit. De binnenwelving moet binnen de theoretische kern van de constructie blijven om schadelijke trekspanningen in het metselwerk te voorkomen. In de civiele techniek, bij tunnels en bruggen, spelen daarnaast richtlijnen van Rijkswaterstaat of CROW-publicaties een rol voor de verticale vrije ruimte onder de welving. Een onderschatting van de doorrijhoogte leidt tot direct gevaar voor het wegverkeer.

Monumentenzorg en restauratie

Bij historische constructies is de Erfgoedwet van kracht. De binnenwelving van een monumentaal gewelf mag niet zomaar gewijzigd of met willekeurige materialen hersteld worden. Restauratiewerkzaamheden moeten voldoen aan specifieke uitvoeringsrichtlijnen (URL's), zoals die voor historisch metselwerk van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg. Materiaalgebruik is hierbij cruciaal. Het gebruik van moderne cementgebonden mortels op een binnenwelving die oorspronkelijk met kalkmortel is opgebouwd, veroorzaakt vaak onherstelbare zoutschade. Inspecties conform NEN 2767 worden ingezet om de conditie van het oppervlak objectief te monitoren. Scheuren in de intrados zijn vaak de eerste indicatoren van funderingsproblemen of structurele overbelasting.


Constructieve evolutie van de intrados

De techniek achter de binnenwelving vindt zijn oorsprong in de vroege oudheid. De Mesopotamiërs experimenteerden al met eenvoudige bogen. Echter, de Romeinen brachten de constructie tot wasdom. Zij introduceerden de halfronde boog op massale schaal. Door de uitvinding van Romeins beton veranderde de aard van de binnenwelving fundamenteel. Het was niet langer enkel een optelsom van individuele natuurstenen segmenten. Het werd een monolithisch geheel. Vaak werd de intrados voorzien van cassetten om gewicht te besparen zonder de structurele integriteit aan te tasten. Een vroege vorm van materiaaloptimalisatie.

In de middeleeuwen verschoof de technische focus. De romaanse bouwstijl hield vast aan de rondboog, wat resulteerde in zware, massieve binnenwelvingen met beperkte overspanningen. De gotiek bracht de spitsboog. Deze innovatie veranderde de druklijn. De binnenwelving werd steiler. Hoger ook. Hierdoor konden de muren dunner worden uitgevoerd, terwijl de intrados juist complexer werd door de toevoeging van kruisribben. De gewelfvlakken tussen de ribben werden steeds lichter uitgevoerd, vaak met lichte tufsteen of baksteen, om de neerwaartse druk op de kolommen te beheersen.

Tijdens de industriële revolutie onderging de binnenwelving een rationalisatieslag. De opkomst van de gestandaardiseerde baksteen maakte het mogelijk om op grote schaal troggewelven te metselen in fabrieken en pakhuizen. Snelheid was cruciaal. De binnenwelving was hier puur functioneel: brandwerend en draagkrachtig. Met de komst van gewapend beton in de 20e eeuw verdween de noodzaak voor de traditionele voussoir-opbouw. De vorm van de binnenwelving wordt sindsdien volledig gedicteerd door de bekistingstechniek. Van de ruwe afdruk van ongeschaafde planken in het brutalisme tot de naadloze, geprefabriceerde elementen in de moderne civiele techniek. De geometrie bleef, de productiemethode veranderde radicaal.


Vergelijkbare termen

Extrados | Gewelf | Voussoir | Boog

Gebruikte bronnen:

Bronnen:

Encyclo