Plaatsing op de formeel. De opbouw van het extrados volgt de geometrische lijn die ontstaat door de radiale plaatsing van de boogstenen vanaf de aanzetstenen richting de kruin. De diepte van de stenen bepaalt hier de contour. Bij het metselen van een boog wijken de voegen aan de rugzijde verder uiteen dan aan de binnenzijde, een fenomeen dat voortkomt uit de grotere straal van de buitenboog ten opzichte van het intrados. Nauwkeurig vakmanschap is vereist.
Bij natuurstenen bogen worden de voussoirs vaak vooraf conisch bewerkt zodat de rugzijde een vloeiende, ononderbroken lijn vormt die exact de berekende krachtenlijn volgt. Soms is de ruglijn getrapt. Hierbij worden de stenen niet in een curve maar in verspringende horizontale vlakken afgewerkt om een naadloze integratie met de omliggende metselwerkverbanden mogelijk te maken, wat de zijdelingse druk op de spandrellen stabiliseert. De voegdikte verloopt. Zonder conische stenen compenseert de mortel het verschil in booglengte tussen de binnen- en buitenstraal, waarbij de vulling aan de bovenzijde vaak direct wordt ingemetseld in het opgaande werk om een stabiel geheel te vormen.
De vorm van het extrados volgt niet altijd slaafs de curve van de binnenzijde. Vaak is er sprake van een concentrische boogrug. Hierbij loopt de buitenlijn exact parallel aan het intrados, wat resulteert in boogstenen met een constante hoogte over de gehele welving. Architectonisch oogt dit slank. Constructief is het echter niet altijd de meest logische keuze voor zware belastingen.
Een veelvoorkomende variant is de getrapte boogrug. Hierbij worden de individuele gewelfstenen aan de bovenzijde niet rond afgewerkt, maar in horizontale en verticale vlakken gehakt. De stenen 'vertanden' zich zo in het omringende metselwerk van de spandrellen of de bovenliggende muur. Dit zorgt voor een superieure mechanische verbinding. Het voorkomt dat de boog zich als een los element in de wand gedraagt. De krachten worden directer overgedragen op de rest van het metselwerkverbandsysteem. Soms ziet men ook een horizontale afwerking waarbij de bovenzijde van de boog volledig vlak loopt, wat vaak voorkomt bij ontlastingsbogen die direct onder een waterlijst of vensterbank zijn gesitueerd.
In de terminologie wordt het extrados soms verward met de archivolt. Er is een wezenlijk verschil. Waar de archivolt de decoratieve omlijsting of het aanzicht van de boog aan de gevelzijde betreft, slaat de term extrados op het gehele bovenliggende structurele vlak dat zich over de volledige diepte van de boog uitstrekt. De boogrug is dus een technisch vlak, de archivolt een esthetisch element. Bij zware boogconstructies kan de dikte van de boog nabij de aanzetstenen toenemen ten opzichte van de kruin; men spreekt dan van een verjongende boogrug, wat helpt om de spatkrachten beter op te vangen zonder de kruin onnodig zwaar te belasten.
Wie over de gewelven van een gotische kathedraal loopt, ziet het extrados in zijn meest rauwe vorm. Geen pleisterwerk of decoratie. Je ziet de ruwe ruggen van de natuurstenen of bakstenen die samen de gewelfschelp vormen. Vaak ligt hier nog eeuwenoud puin of isolatiemateriaal direct op het extrados om de constructie te verzwaren en de zijdelingse druk te stabiliseren.
Bij een oude boogbrug is het extrados het vlak dat het wegdek draagt. De weggebruiker ziet het niet. Het bevindt zich onder de vulling van zand of puin waarop de bestrating rust. Tijdens restauraties wordt de brug tot op de boogrug blootgelegd. Hier wordt vaak een waterdichte laag aangebracht om te voorkomen dat hemelwater door de boogstenen sijpelt en het intrados aan de onderzijde beschadigt.
Kijk naar een gemetselde ontlastingsboog boven een kozijn. Het extrados is hier de grens waar de boogvormige stenen ophouden en het reguliere, horizontale metselwerk begint. Soms zie je dat de stenen aan deze rugzijde schuin zijn afgehakt om een strakke aansluiting op de bovenliggende strekkenlaag te forceren. Een visuele overgang. Functioneel onmisbaar voor de krachtenafdracht.
Veiligheid staat centraal. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt fundamentele eisen aan de constructieve veiligheid van bouwwerken, waarbij de berekening van boogconstructies direct steunt op de Eurocode 6-serie voor metselwerk. NEN-EN 1996-1-1 fungeert hierbij als de technische maatstaf voor het ontwerp. De geometrie van het extrados is geen esthetische bijzaak in dit rekenmodel. Het bepaalt de statische hoogte. Zonder een exact gedefinieerd rugvlak kan een constructeur de excentriciteit van de krachtenlijn niet valideren. Berekeningen moeten kloppen.
Restauratie vraagt om specifieke richtlijnen. Voor objecten die vallen onder de Erfgoedwet zijn de uitvoeringsrichtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) essentieel. URL 4001 beschrijft nauwgezet hoe historisch metselwerk hersteld moet worden. De omgang met het extrados bij gewelven is hierin kritiek. Vaak mag de rugzijde niet zonder meer worden afgedicht met dampdichte lagen zonder een grondige bouwfysische onderbouwing. Dit voorkomt schadelijke vochtinsluiting in de boogstenen. Bij infrastructurele kunstwerken, zoals boogbruggen, gelden vaak de Richtlijnen Ontwerp Kunstwerken (ROK). Deze schrijven specifieke eisen voor met betrekking tot de waterdichting op het extrados om corrosie of vorstschade aan de constructie te minimaliseren.
De term vindt zijn oorsprong in het Latijnse extra en dorsum. Letterlijk de buitenkant van de rug. In de Romeinse bouwkunde was het extrados vaak een functioneel, maar onzichtbaar vlak. De ingenieurs begroeven de boogrug meestal diep in de spandrellen van hun aquaducten en triomfbogen om met extra massa de zijdelingse spatkrachten te neutraliseren. Geometrische eenvoud was de norm. De ruglijn volgde simpelweg de curve van de binnenzijde.
Middeleeuwse bouwmeesters maakten de constructie complexer. Tijdens de bouw van de grote kathedralen bleef het extrados op de gewelfzolders vaak ruw en onafgewerkt. Een bewuste keuze. Het ruwe oppervlak bood een betere hechting voor de dikke pakketten puin en mortel die nodig waren om de gewelfschelp te verzwaren. Men begon te experimenteren met de dikte van de boogstenen. Bij de aanzet waren ze zwaarder, naar de kruin toe werden ze dunner. Deze vroege vorm van materiaaloptimalisatie zorgde ervoor dat de krachtenlijn precies binnen het metselwerk bleef lopen zonder dat de constructie te zwaar werd.
De wetenschappelijke benadering brak pas echt door in de achttiende eeuw. Statica werd een vakgebied. Wiskundigen zoals Philippe de La Hire analyseerden waarom bogen bezweken. Zij ontdekten dat de relatie tussen het intrados en het extrados de sleutel was tot stabiliteit. De boog werd een wiskundig model. Hierdoor verschoof de aandacht van puur ambachtelijke vuistregels naar berekenbare geometrie. De getrapte boogrug, waarbij de stenen horizontaal aansluiten op het omliggende werk, werd een standaardoplossing voor het integreren van bogen in strakke gevelwanden. Constructief vernuft werd onzichtbaar achter een vlies van baksteen.