Wanneer we spreken over 'Vikingstijl', bedoelen we zelden één monolithische, statische esthetiek. Integendeel, het is een overkoepelende term die een evoluerende reeks van decoratieve kunststijlen omvat, stijlen die zich manifesteerden in het houtsnijwerk, metaalwerk en textiel van de Vikingtijd. De architectonische vormen zelf, veelal houtconstructies, bleven redelijk consistent, maar het was de verfijnde of juist robuuste ornamentiek die de tijdgeest ving. Verschillende van deze sub-stijlen zijn genoemd naar de vindplaatsen waar hun kenmerken voor het eerst duidelijk werden geïdentificeerd. Het onderscheid zit 'm vooral in de details van de diermotieven, de vlechtwerken en de mate van abstractie.
Zo beginnen we met de Osebergstijl, vroeg en levendig, gekenmerkt door krachtige, kronkelende dierfiguren – het bekende 'grijpgedierte' – vaak met lintvormige lichamen die in elkaar grijpen. Wat later volgt de Borrestijl; hier zie je een neiging naar compactere, diklijvige beesten met driehoekige koppen, strak verweven in dichte knoopmotieven. Vervolgens maakte de Jellingestijl zijn opkomst, met meer gestroomlijnde, bandvormige dieren, vaak één dominant lintvormig beest dat zich sierlijk over een oppervlak kronkelt. De Ringerikestijl voegde daar een nieuw element aan toe: florale motieven, denk aan plantenranken en bladeren, die de dierfiguren subtiel aanvulden of omkaderden, vaak met amandelvormige ogen voor de dieren zelf.
Tot slot, de meest geraffineerde en, zoals de omschrijving al aanstipte, bekende Urnesstijl. Dit is de finale bloei van de Vikingkunst, herkenbaar aan extreem slanke, bijna tere dierfiguren met lange, sierlijke nekken en grote, amandelvormige ogen. De lijnen zijn hier vloeiender, de composities vaak asymmetrisch, een complexe dans van elegantie. Het is essentieel om te beseffen dat al deze stijlen, hoewel sequentieel in tijd, elkaar ook deels overlapten en invloed op elkaar uitoefenden. Het zijn geen strikte periodes met harde grenzen, maar eerder dominante artistieke stromingen die gezamenlijk de rijkdom van de Vikingstijl vormen.
De Vikingstijl, dat is geen theoretisch concept, eerder een visuele handtekening, overal terug te zien waar functionaliteit en artistieke expressie samenkomen. Het gaat om die momenten waarop puur bouwen transformeert in een verhaal, uitgehouwen in hout.
Neem bijvoorbeeld een Viking langhuis. Niet alleen de robuuste constructie van palen en balken, maar juist de details maken het. Denk aan de imposante houten deurposten. Die waren vaak geen gladde, rechttoe-rechtaan planken; nee, rijk bewerkt met diep uitgesneden vlechtbandmotieven. Soms een hele serie kronkelende slangen of gestileerde fabeldieren, hun lichamen naadloos overgaand in geometrische patronen. Zulk snijwerk, het gaf de toegang tot een huis niet alleen status, het vertelde ook iets over de bewoners.
Of de middeleeuwse staafkerken in Noorwegen, hoewel later, dragen onmiskenbaar de echo's van deze stijl. De portalen van bijvoorbeeld de staafkerk van Borgund, daar zie je complete, complexe houtsnijwerken. Drakenkoppen die uit de daknokken steken, dierfiguren die langs de kozijnen klimmen, een gelaagde bescherming in hout. Niet zomaar decoratie, maar een samensmelting van architectuur en mythologie. Het is die manier van doen, van bouwen, die de Vikingstijl zo herkenbaar maakt.
Zelfs op kleinere schaal, bijvoorbeeld bij een houten kist of slede, kom je het tegen. De zijkanten konden vol staan met die specifieke, vaak slanke dierfiguren, zoals die uit de Urnes-stijl, die elegant in elkaar grijpen. Praktische voorwerpen, ja, maar verheven tot kunstwerken door het nauwgezette houtsnijwerk. Het bewijs, zo blijkt telkens weer, dat functionaliteit en diepgaande versiering naadloos in elkaar konden overvloeien.
De wortels van de Vikingstijl reiken dieper dan de Vikingtijd zelf. Haar esthetische beginselen kwamen voort uit een rijke traditie van Germaanse dierstijlen, aangevuld met invloeden uit de Keltische kunst, die via contacten en handel Scandinavië bereikten. Deze fusie van motieven, zoals complexe vlechtbanden en gestileerde dierfiguren, legde de basis voor wat later zou bloeien. Het is de periode van de achtste tot de elfde eeuw die echter de meest herkenbare en diverse uitingen van deze stijl zag, parallel aan de maritieme expansie en culturele uitwisseling van de Vikingen.
Cruciaal voor de ontwikkeling binnen de bouwsector was de ongekende beheersing van houtbewerking. De Vikingen waren meesters in scheepsbouw, een vaardigheid die naadloos overging naar de constructie van gebouwen. Kennis van houtselectie, droging en bewerkingstechnieken, gecombineerd met de toenemende beschikbaarheid van geavanceerde ijzeren gereedschappen, maakte steeds complexere en fijnere snijwerken mogelijk. Deze technische vooruitgang stond aan de wieg van de rijk versierde langhuizen en, later, de unieke Noorse staafkerken, die de robuuste constructie vermengden met een expressieve, symbolische decoratie. De stijl evolueerde dus niet alleen artistiek, maar ook technologisch, gedreven door vakmanschap en beschikbare middelen.
Nl.wikipedia | En.wikipedia | Kennis.cultureelerfgoed | Rmo | Zoeken.nieuweinstituut | Vakantienoorwegenreisgids | Icomos | Culturescope | Diva-portal