Steigergaten, de term is eenduidig genoeg, maar hun benaming kent verrassend veel variatie, afhankelijk van regio of historische context. Vaak kom je ook de benamingen kortelinggaten, bulsingen of zelfs steekhout tegen. Dit zijn geen verschillende soorten gaten, maar synoniemen; ze verwijzen allemaal naar diezelfde functionele opening in het metselwerk, onmisbaar voor de kortelingen.
De werkelijke ‘variant’ zit hem vooral in de toepassing, die historisch is gegroeid. Traditioneel waren steigergaten, met name voor de zogenaamde 'vliegende steigers', onlosmakelijk verbonden met de constructie. De kortelingen die erin staken, vormden de primaire, dragende verbinding met de gevel. Zonder deze gaten, simpelweg geen stabiele steiger. Echter, met de opkomst van modernere systeemsteigers en buis- en koppelingsteigers is de noodzaak voor het creëren van nieuwe steigergaten drastisch afgenomen. Tegenwoordig gebruikt men vaker ankers die in de voeg worden geboord, of andere, minder ingrijpende verankeringsmethoden.
Dat wil niet zeggen dat de bestaande steigergaten hun functie volledig hebben verloren. In oudere gebouwen blijven ze zichtbaar, als stille getuigen van eerdere bouwfasen. Soms worden ze nog hergebruikt voor lichte ondersteuning, tijdelijke bevestigingen, of als leidraad voor de hoogtebepaling van nieuwe steigerverankeringen. De verschuiving is dus van een primair, dragend constructiedeel naar een historisch markeringspunt, of een secundair ankerpunt.
Zie je ze niet direct? Dan kijk je niet goed. Loop eens door een willekeurige historische binnenstad, langs de gevels van die statige 17e- of 18e-eeuwse panden; daar, in het metselwerk, vaak op regelmatige afstanden, precies boven en onder de verdiepingsvloeren. Die kleine, rechthoekige openingen, zo'n 20 bij 20 centimeter, vaak wat donkerder gekleurd dan het omringende baksteen, soms dichtgezet met afwijkend metselwerk, onmiskenbaar. Dat zijn ze, de stille getuigen van honderden jaren bouwgeschiedenis, ooit de dragende punten van een complete houten steigerconstructie. Denk aan de Amsterdamse grachtenpanden, talloze voorbeelden te vinden; elke uitsparing vertelt iets over de opbouw destijds. Ze dienden als verankeringspunt voor kortelingen, de houten dwarsbalken die de steigers letterlijk uit de gevel lieten steken. Een cruciale schakel, jarenlang.
Of stel je een grootscheepse restauratie van een monumentaal pand, een kerk of kasteel, voor. Je ziet ze tijdens de inspectie, nog voordat de steigers er überhaupt staan. Die oude steigergaten, ze zitten er gewoon. Soms worden ze, na een grondige bouwkundige beoordeling en eventuele versteviging, deels opnieuw benut. Niet altijd als primair draagpunt voor een moderne systeemsteiger – daarvoor zijn hedendaagse ankertechnieken robuuster en flexibeler – maar wel als strategisch punt om werkbordes te stabiliseren of als handig ijkpunt voor de hoogtebepaling van nieuwe steigerlagen. Een referentiepunt, een herinnering aan hoe het eens ging. Ze zijn overal, als je weet waar je op moet letten.
De geschiedenis van het steigergat is onlosmakelijk verbonden met de geschiedenis van de meerlaagse bouw, de constructie van gebouwen die verder reiken dan de grond. Al in de oudheid, bij de Egyptenaren en de Romeinen, waar kolossale bouwwerken werden opgetrokken, waren methoden nodig om op hoogte te werken. Hoewel directe archeologische vondsten van 'steigergaten' in die vroege constructies soms schaars zijn, duidt de bouwwijze van muren met afwisselende steenlagen en houtconstructies op het gebruik van vergelijkbare principes: uitsparingen of constructieve elementen om werkplatforms te ondersteunen. Het basisidee is dus eeuwenoud.
Met de opkomst van gemetselde gevels in de middedeleeuwen en later, de rijke architectuur van de renaissance en barok, werd het steigergat een integraal onderdeel van het bouwproces. Het was de standaard, de enige manier vaak om een 'vliegende steiger' aan de gevel te verankeren; simpelweg essentiële gaten, strategisch geplaatst. Houten balken, de kortelingen, staken uit de muur, vormden de basis voor de werkplatforms. Dit was destijds de meest praktische en vaak enige veilige methode om metselaars en andere ambachtslieden hun werk op hoogte te laten doen. Efficiënt en robuust, voor die tijd.
De twintigste eeuw bracht echter een revolutie in de steigerbouw. De introductie van metalen buis- en koppelingsteigers, en later de modulair opgebouwde systeemsteigers, veranderde het speelveld drastisch. Plots waren er alternatieven die minder ingrijpend waren voor het metselwerk. Verankering kon nu vaak via gaten in voegen of met chemische ankers, zonder de grotere, zichtbare uitsparingen. De noodzaak tot het creëren van nieuwe steigergaten in een gevel nam sterk af, vooral bij nieuwbouw. Een aanzienlijke verandering, die de bouwpraktijk voorgoed markeerde.
Tegenwoordig zien we steigergaten voornamelijk nog in historische gebouwen, als stille getuigen van vroegere bouwmethoden. Ze zijn veranderd van primaire functionele elementen in bouwkundig erfgoed. Bij restauraties worden ze soms nog benut als referentiepunten, of voor lichte ondersteuning, maar zelden nog als het exclusieve dragende punt voor moderne, zware steigerconstructies. Die functie is overgenomen door geavanceerdere, minder gevelbeschadigende verankeringssystemen. Desondanks, ze zijn er nog, die gaten, en ze vertellen een verhaal, het verhaal van bouwen door de eeuwen heen.
Joostdevree | Encyclo | Dbnl | Monument.heritage | Erfgoedklassen