Het productieproces start bij de mengtafel. Klei vormt de basis, maar de porositeit ontstaat door toevoeging van uitgekiende hoeveelheden organisch materiaal. Zaagsel. Polystyreen. Of vliegas. In de strengpers of vormbak krijgt de steen zijn gedaante, waarna de oven het eigenlijke werk doet. Bij temperaturen tussen de 900 en 1100 graden Celsius verbranden de toegevoegde deeltjes volledig. Ze laten een minuscuul gangenstelsel achter. Lucht wordt gevangen in keramiek. Het resultaat is een lichter product met een veranderde thermische weerstand.
Tijdens de verwerking op de steiger is de zuigkracht leidend voor het tempo. De steen zuigt. Een droge poreuze baksteen onttrekt direct vocht aan de mortel, wat de hydratatie van cement verstoort en de sterkteontwikkeling van de voeg in gevaar brengt. Voorbevochtigen van de stapels op de pallet is daarom een noodzakelijke handeling om de zuiging te reguleren. Het metselen zelf wijkt qua techniek niet af van standaard procedures, al zorgt de lagere dichtheid voor een fysiek minder zware belasting voor de verwerker. De hechting ontstaat door capillaire opname van de cementpasta in de poriënstructuur van de steenrand, mits de mortel consistent genoeg is om niet direct te 'verbranden'. Bij buitenwanden is de detaillering van de spouw en de waterkering cruciaal, aangezien de steen door zijn open structuur meer vocht kan bufferen dan een hardgebakken klinker.
Niet elke poreuze steen dient hetzelfde doel. De gradatie in porositeit bepaalt of een steen louter als lichte vulling fungeert of dat thermische isolatie de hoofdrol speelt. In de praktijk maken we onderscheid tussen verschillende verschijningsvormen.
De bekendste variant in de Nederlandse woningbouw is de Poriso-steen, een soortnaam die inmiddels symbool staat voor de hoog-poreuze binnenmuursteen. Deze blokken bevatten een extreem hoog percentage minuscule luchtbellen. Ze zijn specifiek ontwikkeld voor dragende en niet-dragende binnenmuren waarbij de combinatie van een relatief laag gewicht en een goede thermische isolatie doorslaggevend is. Vaak zijn deze stenen ook nog geperforeerd. Dubbele luchtinsluiting dus. De textuur is grof en biedt een ideale basis voor gipspleisters.
De standaard achterwerksteen is minder extreem dan de isolatieblokken maar nog steeds wezenlijk anders dan een dichte gevelsteen. Deze variant wordt ingezet voor het onzichtbare metselwerk achter een spouw of onder een stuclaag. De porositeit is hier vooral functioneel voor de hechting. Geen gladde oppervlakken, maar een open structuur die de mortel vastgrijpt. Een mechanische verankering die essentieel is voor de constructieve integriteit van de wand.
Er ontstaat vaak verwarring tussen porositeit en perforatie. Een steen kan geperforeerd zijn — voorzien van grote, zichtbare gaten door de persvorm — zonder dat de keramische scherf zelf poreus is. Bij de poreuze baksteen zit de lucht echter in het materiaal zelf opgesloten. Het gaat om microscopische holtes, niet om de grote gaten die je met je vinger kunt aanraken. Veel moderne keramische blokken combineren overigens beide principes om het gewicht te minimaliseren.
Hoewel cellenbeton ook vol lucht zit, is het strikt genomen geen baksteen. Het wordt niet gebakken in een oven maar chemisch opgehoogd en onder stoomdruk gehard. Het mist de keramische binding. Kalkzandsteen is eveneens een andere categorie; dit materiaal is dicht en zwaar, met een veel lagere capillaire opname dan de poreuze keramische variant. Let dus op de basis: baksteen is altijd gebakken klei. De rest is imitatie of een ander specialisme.
Een metselaar trekt een scheidingswand op. Hij tilt drie grote blokken tegelijkertijd van de pallet. Dat gaat moeiteloos; de stenen wegen door hun luchtige kern aanzienlijk minder dan massieve baksteen. Terwijl hij de specie aanbrengt, merkt hij hoe de steen 'hapt'. De mortel verliest snel glans omdat de poriën het vocht direct opzuigen. Hierdoor staat de wand vrijwel meteen stabiel. Geen gewiebel. Geen nazakken. De wand is binnen een uur klaar voor de stukadoor.
De wanden staan. De stukadoor zet zijn rei op het metselwerk van poreuze binnenmuurstenen. Hij hoeft geen duur voorstrijkmiddel te gebruiken om hechting te forceren. Zodra de gipspleister de steen raakt, nestelt de vloeibare massa zich in de open structuur van de keramiek. Het is een mechanische verankering. Na droging vormt de stuclaag en de steen één massief geheel. Probeer dat gips er maar eens af te steken; de steen komt eerder mee dan de pleisterlaag.
Een renovatieproject waarbij een oude schuur wordt omgebouwd tot kantoor. De aannemer gebruikt een restant poreuze achterwerksteen voor de onderste lagen van de gevel, vlak boven het maaiveld. Een fatale fout. Tijdens een natte herfst zuigt de steen zich vol met regenwater en optrekkend vocht. Dan valt de vorst in. Het water in de poriën zet uit en de voorkant van de stenen knapt er in schilfers af. De gevel 'pelt' af. Hier had een hardgebakken, niet-poreuze gevelsteen of een trasraamklinker moeten zitten om de capillaire opname te blokkeren.
De NEN-EN 771-1 dicteert de technische spelregels voor de keramische sector. Een dwingend kader. Voor poreuze bakstenen is vooral de classificatie van de initiële wateropzuiging (IW-klasse) leidend voor de verwerkingsvoorschriften op de bouwplaats om de hechting te garanderen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt de minimale eisen aan de thermische isolatie en de constructieve integriteit van gebouwen. De specifieke lambda-waarde van de poreuze steen heeft direct invloed op de energieprestatieberekening van de schil. Een fabrikant is verplicht een Prestatieverklaring (DoP) te verstrekken bij elke partij. Hierin staat de vorstbestendigheid geclassificeerd onder de F-categorie; cruciaal omdat poreuze stenen vaak niet bestand zijn tegen directe blootstelling aan een onbeschermd buitenklimaat. Eurocode 6 vormt de rekenkundige basis voor de stabiliteit van het metselwerk. De genormaliseerde druksterkte van de steen dient hierbij als kritieke input voor de constructeur om te bepalen of de wand de belasting kan dragen. Zonder CE-markering is handel binnen de Europese Unie simpelweg uitgesloten.
Vroeger was klei simpelweg klei. Massief. Zwaar. In de negentiende eeuw veranderde dat perspectief toen fabrikanten ontdekten dat zaagsel bijmengen niet alleen de krimp tijdens het drogen verminderde, maar ook een lichter eindproduct opleverde voor het transport over het spoor. De echte omslag kwam na de Tweede Wereldoorlog. De woningnood dwong tot sneller metselen. Lichtere stenen betekenden grotere formaten zonder dat de metselaar fysiek knapte. In de jaren zeventig gaf de oliecrisis de genadeklap aan de massieve baksteen voor binnenwanden. Thermische isolatie werd een eis. Fabrikanten verfijnden het procedé met polystyreenbolletjes en kolenslib om de Lambda-waarde omlaag te krijgen. Een technische evolutie gedreven door schaarste en arbo-eisen.
De opkomst van de 'Poriso' in Nederland markeerde een kantelpunt. Het was niet langer een baksteen, het was een systeem. Waar de traditionele veldoven nog onvoorspelbare resultaten gaf, zorgde de overstap naar computergestuurde tunnelovens in de late 20e eeuw voor een exacte controle over de poriegrootte. De keramische industrie verschoof van puur massa-denken naar het construeren van lucht. Lucht was vroeger ballast. Nu is het de functie. De regulering via de NEN-normen in de jaren tachtig en negentig legde de technische grenzen vast, waardoor de poreuze baksteen de standaard werd voor het binnenblad in de spouwmuurconstructie.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Kennis.cultureelerfgoed | Knb-keramiek | Water-dicht | Soudal | Aquatec-vochtbestrijding