De realisatie van een wand in pisé vangt aan bij de montage van een uiterst stabiele bekisting. Deze constructie moet bestand zijn tegen de enorme zijwaartse druk die ontstaat tijdens het mechanisch of handmatig comprimeren van de grond. Het proces is droog. Men brengt het aardvochtige mengsel in opeenvolgende lagen aan, waarbij elke storting een dikte van ongeveer tien tot vijftien centimeter heeft. De consistentie van het materiaal is hierbij van doorslaggevend belang; het mengsel mag niet te nat zijn om plastische vervorming te voorkomen, maar moet voldoende vocht bevatten om de deeltjes onder druk te laten binden.
Verdichting vormt de kern van de techniek. Met behulp van zware stamperkoppen — tegenwoordig veelal pneumatisch aangedreven — wordt de losse aarde samengeperst tot een fractie van het oorspronkelijke volume. Men werkt van de randen naar het midden toe. Zo ontstaat een homogene massa. Zodra een laag de maximale verdichtingsgraad heeft bereikt, wat vaak hoorbaar is aan de verandering in de klank van de stamper, volgt direct de volgende laag. Dit repetitieve proces gaat door tot de gewenste muurhoogte is bereikt. Er ontstaan geen koude voegen in de traditionele zin, maar de karakteristieke horizontale lijnen blijven zichtbaar als getuigenis van de opeenvolgende bewerkingen.
Directe ontkisting typeert de pisé-methode. Omdat de wand door de hoge mate van compressie direct een aanzienlijke structurele integriteit bezit, kunnen de bekistingspanelen onmiddellijk na het voltooien van de laatste laag worden verwijderd. De wand is dan direct belastbaar voor volgende bouwfasen. Gedurende het uithardingsproces verdampt het resterende vocht, waardoor de wand verder versteent en zijn uiteindelijke sterkte verkrijgt. Eventuele sparingen voor kozijnen of leidingen worden doorgaans tijdens het stampproces gereserveerd door het plaatsen van houten mallen of verloren bekistingen binnen de hoofdbekisting.
In de puurste vorm spreken we over niet-gestabiliseerde pisé. Hierbij fungeert uitsluitend de klei als bindmiddel. Het is een volledig circulair bouwmateriaal. Slopen betekent teruggeven aan de aarde. Maar de grilligheid van natuurlijke grondstoffen dwingt de moderne bouwer vaak tot aanpassingen. Gestabiliseerde pisé, in de internationale vakliteratuur vaak aangeduid als Stabilized Rammed Earth (SRE), bevat een additief zoals cement of kalk. Meestal volstaat een aandeel van vijf tot tien procent. De winst? Een hogere druksterkte en een veel grotere resistentie tegen erosie door regeninslag. De prijs? Een verlies aan circulariteit en een hogere milieu-impact.
Soms wijkt men af van het standaardmengsel voor esthetische doeleinden. Door te spelen met verschillende kleuren zand of het toevoegen van minerale pigmenten in specifieke stortlagen ontstaat een geologisch lijnenspel dat bijna schilderkunstig aandoet. De textuur blijft echter onmiskenbaar pisé.
De traditionele methode is tijdrovend. Alles gebeurt op de bouwplaats. Om de bouwsnelheid te verhogen en de invloed van weersomstandigheden tijdens de bouw te elimineren, wint prefab pisé aan terrein. Hierbij worden wandelementen of blokken onder gecontroleerde omstandigheden in een fabriek gestampt. Na uitharding worden deze elementen als grote bouwstenen naar de bouwplaats getransporteerd en gemonteerd. Hoewel dit de monolithische uitstraling van een doorlopende wand enigszins doorbreekt door de zichtbare voegen tussen de segmenten, biedt het een enorme kwaliteitsgarantie. De droogtijd op de bouwplaats vervalt volledig.
Verwarring ligt op de loer. Pisé wordt vaak in één adem genoemd met stampbeton, maar de verschillen zijn fundamenteel. Waar stampbeton drijft op grove granulaten en een forse hoeveelheid cement, ontleent pisé zijn identiteit aan de fijnere fracties en de bindende werking van klei. Het is zachter. Warmer. Het ademt.
Ook de vergelijking met adobe of leemstenen gaat mank. Adobe is een techniek van zongedroogde stenen die met mortel worden gemetseld. Pisé is massief. Het is een bekistingstechniek. Waar vlechtwerk met leem (leembouw) vertrouwt op een dragende structuur van takken of hout, draagt een pisé-wand zichzelf. Het is constructief en vullend tegelijk. Soms ziet men varianten waarbij stro wordt toegevoegd voor extra isolatie, maar bij pisé blijft dit beperkt; te veel vezels verhinderen namelijk een optimale verdichting van de minerale delen.
Er bestaat geen specifieke NEN-norm die uitsluitend over pisé gaat. Dat is de realiteit. Wie bouwt met ongebakken aarde in Nederland, moet navigeren door het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). De bewijslast ligt bij de ontwerper. Je toont aan dat de constructieve veiligheid voldoet aan de prestatie-eisen die de wet stelt aan reguliere materialen zoals beton of metselwerk. Vaak gebeurt dit via de zogenaamde gelijkwaardigheidsbepaling. Er wordt dan getoetst aan de fundamentele veiligheidsfilosofie van de Eurocodes, specifiek de NEN-EN 1990 en 1996 series voor grondslagen en metselwerkconstructies. Voor rekenwaarden van stampleem wordt in de praktijk vaak uitgeweken naar buitenlandse normen, zoals de Duitse Lehmbau Regeln (DIN 18945-18947), als erkende techniek van goede praktijk.
Brandveiligheid is zelden een probleem. Aarde brandt niet. De wanden scoren van nature hoog op branddoorslag en brandoverslag (WBDBO). Maar thermische isolatiewaarden zijn een ander verhaal. Een massieve pisé-wand van 40 centimeter dik haalt de huidige RC-eisen voor de gebouwschil simpelweg niet. Hier botst de traditie met de wet. In de praktijk betekent dit dat pisé vaak als binnenwand wordt toegepast of als onderdeel van een hybride wandopbouw met extra isolatiemateriaal om aan de thermische eisen van het BBL te voldoen.
Vergeet de Milieuprestatie Gebouwen (MPG) niet. Hier wint pisé terrein. Vooral de niet-gestabiliseerde variant heeft een extreem lage schaduwprijs per vierkante meter. Omdat het materiaal vaak lokaal gewonnen kan worden en volledig herbruikbaar is, helpt het projecten binnen de steeds strengere milieugrenzen van de overheid te blijven. Voor de constructeur betekent dit wel dat de kwaliteit van de lokale grond nauwgezet moet worden gedocumenteerd; variabelen in kleigehalte hebben immers direct invloed op de rekenwaarden voor de constructieve stabiliteit. Laboratoriumtests op de druksterkte van proefblokken zijn daarom vaak een vereiste om de toezichthouder te overtuigen.