De verwerking start bij het samenvoegen van de droge bestanddelen met water, waarbij mechanische menging zorgt voor een homogene spreiding van het bindmiddel. Zodra de gewenste consistentie is bereikt, wordt de specie op de bouwlaag aangebracht. Dit gebeurt met vloeiende, spreidende bewegingen. De laag moet dik genoeg zijn om de steen te laten 'drijven', maar dun genoeg om de beoogde voegmaat niet te overschrijden. De steen wordt in het mortelbed gedrukt. Een korte, mechanische impuls positioneert de steen definitief op de juiste hoogte en lijn.
p>Specie op de kop. Voor de verticale stootvoegen wordt de mortel vaak direct op de zijkant van de te plaatsen steen aangebracht, een handeling die een volledige vulling van de tussenruimte garandeert. Wat aan de flanken naar buiten puilt, wordt direct langs de steenrand afgestoken. Dit afgestoken materiaal kan vaak opnieuw worden gebruikt, mits de verwerkingstijd niet is overschreden. De zuigkracht van de baksteen onttrekt vervolgens vocht aan de mortel, waardoor de initiële hechting wordt gefaciliteerd. Het proces eindigt met het opstijven van de massa. De chemische uitharding transformeert de plastische specie uiteindelijk tot een steenachtige verbinding die de krachten binnen de constructie overdraagt.De aard van het bindmiddel bepaalt de fundamentele eigenschappen van de specie. Cementmortel bestaat uit cement, zand en water. Het is de krachtpatser onder de mengsels, bij uitstek geschikt voor funderingswerk of muren die zwaar belast worden door vocht of druk. Maar let op: puur cement is stug. Het verwerkt lastig en mist de nodige elasticiteit voor delicaat metselwerk.
Hier komt de bastaardmortel om de hoek kijken. Door een deel van het cement te vervangen door kalk, ontstaat een mengsel dat de gulden middenweg bewandelt. De kalk fungeert als een plastificeerder. Het resultaat is een vette, soepele specie die beter bestand is tegen de werking van de muur zonder te scheuren. Voor restauraties van monumenten wordt vaak teruggegrepen op zuivere kalkmortel, aangezien de zachte structuur van historische stenen niet samengaat met de hardheid van moderne cementsoorten.
In de moderne bouw wordt metselspecie geclassificeerd op basis van de gemiddelde druksterkte na 28 dagen, aangeduid met de letter M gevolgd door een getal in N/mm². Een M5-mortel is de standaard voor reguliere woningbouw. Bij constructieve elementen die meer te verduren krijgen, zoals dragende penanten in hoogbouw, wordt vaak een M10 of zelfs M20 voorgeschreven. Het is een misverstand dat sterker altijd beter is. Een te sterke mortel bij een zachte steen forceert de spanningen in de steen zelf, wat leidt tot schade aan het gevelvlak.
Niet elke steen laat zich op dezelfde manier metselen. Dunbedmortel is een variant met een fijnere korrelopbouw, speciaal ontwikkeld voor stenen met een zeer hoge maatzuiverheid, waardoor voegdiktes van slechts 3 tot 6 millimeter mogelijk zijn. Dit geeft de gevel een massiever uiterlijk. Voor wie snelheid zoekt, is er doorstrijkmortel. Deze specie vervult twee functies tegelijk: het is de constructieve hechting en de esthetische voeg in één handeling. De metselaar verdiept de voeg direct met een voegroller of voegijzer, waardoor achteraf voegen met een aparte voegmortel niet meer nodig is.
Metselspecie is geen voegspecie. Hoewel ze op elkaar lijken, hebben ze een totaal andere taak. Voegspecie wordt pas aangebracht als de muur al staat en heeft als hoofddoel het beschermen van de achterliggende metselspecie tegen weersinvloeden. De korrelopbouw van voegspecie is vaak fijner en de waterretentie is lager. Ook het verschil met betonmortel is essentieel. Beton bevat grof grind en is bedoeld om in bekistingen te storten, terwijl metselspecie juist de fijnheid moet bezitten om de kleine onregelmatigheden van een baksteen op te vangen. Gooi ze nooit op één hoop.
Stel je een funderingsmuur voor onder het maaiveld. De druk van de omliggende grond is constant en vocht trekt continu tegen het metselwerk aan. Hier telt alleen brute kracht. De metselaar kiest voor een zuivere cementmortel (vaak M15 of hoger). Deze specie is stugger en minder 'vet', maar na uitharding nagenoeg ondoordringbaar en keihard. Het fungeert als de onverwoestbare basis waarop de rest van het huis rust.
Kijk naar de restauratie van een 19e-eeuws herenhuis. De originele bakstenen zijn zacht en poreus. Gebruik je hier een moderne, harde cementmortel? Dan trekken de stenen bij de eerste de beste temperatuurwisseling kapot omdat de specie niet meegeeft. De specialist mengt een kalkmortel. Deze specie is veel flexibeler en 'ademt' mee met de historische stenen. De mortel is hier ondergeschikt aan de steen; hij offert zich liever zelf op door te scheuren dan dat hij de antieke gevelsteen beschadigt.
Bij een modern kantoorpand met een strakke, minimalistische uitstraling zie je vaak extreem dunne voegen. De architect wil dat de baksteen spreekt, niet de voeg. De metselaar gebruikt dunbedmortel en een doseerspuit of een aangepaste troffel. In plaats van de gebruikelijke 10 tot 12 millimeter, bedraagt de voegbreedte hier slechts 4 millimeter. Het vereist uiterste precisie: elke afwijking in de speciehoeveelheid valt direct op in het strakke lijnenspel van de gevel.
In de dagelijkse woningbouw, bijvoorbeeld bij een rijtjeshuis, domineert de bastaardmortel. Je ziet de metselaar op de steiger de specie 'opmengen' in een kuip. Het plakt perfect aan de troffel — het zogenaamde 'staan' van de specie. Hij smeert de mortel met een vloeiende beweging uit, plaatst de steen en tikt deze aan. De specie puilt gelijkmatig uit de voeg, wat aantoont dat de consistentie precies goed is: plastisch genoeg om te vervormen, maar stevig genoeg om het gewicht van de volgende lagen direct te dragen.
Regels zijn regels. Vooral als de stabiliteit van een gevel ervan afhangt. In Nederland vormt het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) het wettelijk kader voor de veiligheid en duurzaamheid van bouwwerken. Metselspecie is daarin geen vrijblijvend ingrediënt. Het moet voldoen aan specifieke prestatie-eisen om de constructieve integriteit te waarborgen.
De Europese norm NEN-EN 998-2 is de bijbel voor mortelfabrikanten. Hierin staan de specificaties voor industrieel vervaardigde metselspecie vastgelegd. Eisen aan de druksterkte, de duurzaamheid en de chloridegehalten worden hierin tot op de puntkomma gedefinieerd. Voor de verwerking en het ontwerp van metselwerkconstructies grijpen we terug op de Eurocode 6 (NEN-EN 1996). Deze normenreeks bepaalt hoe de interactie tussen steen en mortel berekend moet worden. Een constructeur kan niet zonder.
CE-markering is geen keuze. Het is een verplichting voor elke fabrikant die specie op de markt brengt. Hiermee verklaart de producent dat het product voldoet aan de Europese verordening voor bouwproducten (CPR). Bij ter plaatse bereide mortel verschuift de verantwoordelijkheid. De uitvoerder moet dan kunnen aantonen dat de mengverhoudingen stroken met de NEN-EN 1996-2, die de uitvoering van metselwerk reguleert. Geen CE-label op een zak? Dan heb je op de professionele bouwplaats een probleem. Toezichthouders kijken mee.
Eerst was er modder. De vroegste vormen van metselwerk werden bijeengehouden door eenvoudige rivierklei of leem, materialen die weliswaar ruim voorhanden waren maar bij de eerste de beste overstroming hun kracht verloren. De Egyptenaren zetten een stap vooruit met gipsmortels, maar de echte doorbraak kwam van de Romeinen. Zij ontdekten dat het mengen van kalk met vulkanische as uit Pozzuoli — de legendarische tras — een hydraulische reactie veroorzaakte. Plotseling kon specie uitharden onder water. Dit opus caementicium vormde de basis voor monumentale constructies zoals het Pantheon, die na tweeduizend jaar nog steeds overeind staan. Het was geen toevalstreffer; het was de geboorte van de materiaalkunde in de bouw.
Na de val van het Romeinse Rijk raakte de kennis over hydraulische bindmiddelen in Europa grotendeels in de vergetelheid. Eeuwenlang werd er gebouwd met lichte luchtkalkmortels. Deze waren flexibel, maar de uitharding duurde een eeuwigheid. De industriële revolutie dwong tot versnelling. In 1824 patenteerde Joseph Aspdin zijn Portlandcement, vernoemd naar de kalksteen van het eiland Portland. Dit nieuwe bindmiddel veranderde de regels. Specie werd harder, sterker en vooral voorspelbaarder. De ambachtelijke 'stokmaat' van de metselaar maakte langzaam plaats voor gestandaardiseerde mengverhoudingen. Aanvankelijk bleef men cement mengen met kalk voor de broodnodige verwerkbaarheid — de geboorte van de bastaardmortel — maar de opkomst van chemische hulpstoffen in de 20e eeuw maakte kalk voor de gewone woningbouw bijna overbodig.
Vroeger was de bouwplaats een mengfabriek. Zand en cement werden met de hand omgezet, vaak met wisselende kwaliteit tot gevolg. In de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw verschoof het zwaartepunt naar de industrie. De introductie van de droge mortelsilo bracht precisie. Fabrikanten konden nu additieven toevoegen die de waterretentie en de hechting tot op de gram nauwkeurig stuurden. Tegenwoordig praten we niet meer over een schepje extra zand, maar over complexe polymeermodificaties. De specie heeft zich ontwikkeld van een simpel vulmiddel tot een hoogwaardig technisch product dat specifiek wordt afgestemd op de porositeit van de steen en de mechanische belasting van het ontwerp.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Betonhuis | Ecoformeurope | Li.wiktionary