De werking van een lozingstoestel valt of staat met de fysieke verbinding naar de binnenriolering. Water verlaat de kom door de zwaartekracht. Direct onder de uitlaatopening wordt de stankafsluiter, veelal een sifon, gemonteerd om een constant waterslot te waarborgen. Deze barrière is cruciaal; het voorkomt dat rioolgassen de verblijfsruimte binnendringen. De installateur sluit het toestel aan op de aansluitleiding met specifiek gekozen diameters, waarbij een wastafel doorgaans genoeg heeft aan 40 of 50 millimeter, terwijl een closet een diameter van 110 millimeter vereist om vaste stoffen probleemloos te transporteren.
Tijdens het lozen mag de leiding nooit volledig gevuld raken met water. Er moet ruimte blijven voor luchtstroming. Wanneer een lozingstoestel water afvoert, ontstaat er achter de waterkolom een onderdruk. Zonder adequate beluchting of een correcte vullingsgraad wordt het waterslot uit de sifon gezogen. De praktijk leert dat een afschot van ongeveer 5 tot 20 millimeter per meter optimaal is. Te steil is riskant. Het water stroomt dan weg, maar het vuil blijft liggen. Bij de aansluiting van witgoed wordt vaak gebruikgemaakt van een standpijp waarin de afvoerslang wordt geplaatst, wat een vrije uitloop garandeert en hevelwerking voorkomt. De overgang tussen het toestel en de buis wordt water- en luchtdicht afgesloten met rubberen manchetten of schroefkoppelingen, afhankelijk van het type materiaal en de verwachte mechanische belasting op de verbinding.
In de installatietechniek draait alles om de aard van de lozing. We maken een scherp onderscheid tussen fecaliënhoudend afvalwater, ook wel zwart water genoemd, en fecaliënvrij afvalwater, het bekende grijze water. Een closet is de meest prominente variant van de eerste groep. De lozingskarakteristiek is grillig. Kortstondig. Krachtig. De rest van het sanitair, zoals douches, wastafels en baden, loost grijswater. Dit verschil is niet slechts theoretisch; het bepaalt direct de toekenning van de lozingseenheden (LU-waarden). Waar een toilet met 2,0 of 2,5 LU een flinke stempel drukt op de dimensionering van de standleiding, is een fonteintje met 0,5 LU slechts een bijrolspeler in het hydraulische systeem.
| Type lozingstoestel | Soort water | Karakteristiek |
|---|---|---|
| Closet (WC) | Fecaliënhoudend | Kortstondige piekbelasting |
| Wastafel / Douche | Fecaliënvrij | Geleidelijke afgifte |
| Wasmachine / Vaatwasser | Fecaliënvrij (chemisch) | Gepompte lozing met schuimrisico |
| Schrobput / Vloerput | Variabel | Incidenteel gebruik |
Sommige lozers zijn passief. Andere actief. De meeste sanitaire toestellen vertrouwen op de zwaartekracht. Het water valt. De leiding voert af. Maar bij lozingstoestellen in kelders of ruimtes onder het rioolniveau is een vrije uitloop onmogelijk. Hier ontstaat een variant waarbij het lozingstoestel gekoppeld is aan een kleine opvoerinstallatie of vermaler. Hoewel de gebruiker een regulier closet ziet, fungeert het geheel als een mechanisch ondersteund lozingstoestel. De pomp drukt het water via een persleiding naar een hoger gelegen verzamel- of standleiding. Dit vereist een compleet andere benadering van luchtbeheersing en terugslagbeveiliging dan bij een standaard wasbak.
Verder maken we onderscheid tussen toestellen met een zichtbare en onzichtbare overloop. Een badkuip of wastafel heeft vaak een overloopgat om overstroming te voorkomen. Bij een spoelbak in een bedrijfskeuken ontbreekt dit soms voor hygiënische redenen, wat weer invloed heeft op hoe de aansluiting met de sifon wordt gerealiseerd. Het zijn deze kleine nuances in de uitvoering die bepalen of een toestel geschikt is voor woningbouw of de utiliteit.
Vaak over het hoofd gezien: de vloerput of schrobput. Technisch gezien is dit een volwaardig lozingstoestel, hoewel er geen sprake is van een opstelplaats voor een apparaat of een keramisch object. Het verschil met een wastafel zit hem in de gebruiksfrequentie en de vervuilingsgraad. In parkeergarages of technische ruimtes loost een putje soms maandenlang niets. Uitdroging van het waterslot ligt op de loer. Daarom zie je hier varianten met een extra hoog waterslot of zelfs mechanische kleppen die de stank buiten houden als het water verdampt is. Het is een lozingstoestel in ruststand, wachtend op die ene schoonmaakbeurt of lekkage.
In een moderne woonkeuken fungeert de dubbele spoelbak als het centrale lozingstoestel. Vetresten en warm zeepsop passeren de sifon. Soms hoor je een slurpend geluid na het wegtrekken van een volle bak water. Dat wijst direct op een beluchtingsprobleem in de achterliggende aansluitleiding. De onderdruk trekt dan aan het waterslot.
Op de zolderverdieping tref je vaak de wasmachine aan. Dit is een lozingstoestel met een actieve pomp. De afvoerslang hangt los in een standpijp van 40 of 50 millimeter. Cruciaal hierbij is de hoogte van die pijp; is deze te laag, dan overstroomt de boel door de krachtige pompstoot van de machine. Is de pijp te hoog, dan moet de pomp van de wasmachine te hard werken.
Kijk naar de utiliteitsbouw. Een rij urinoirs in een kantoorpand. Elk urinoir is een individueel lozingstoestel met een zeer lage lozingseenheid (LU-waarde). De aansluiting geschiedt vaak met een flexibele aansluitset op een verzamelheader. Omdat er weinig water per spoelbeurt wordt gebruikt, is de kans op aankoeking van urinezuur in de leiding groter dan bij een regulier closet.
Een specifiek voorbeeld uit de koeltechniek: de condensafvoer van een airco-unit of koelvitrine. Hoewel het slechts om druppels gaat, wordt dit beschouwd als een lozingstoestel. Meestal loost men via een trechter met een ingebouwd waterslot. Omdat de toevoer minimaal is, verdampt het water in de sifon snel, wat rioolstank in de winkelruimte kan veroorzaken als er geen automatische bijvulling of droog sifon aanwezig is.
Lozingstoestellen moeten voldoen aan de functionele eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). De wet stelt dat de afvoer van huishoudelijk afvalwater zodanig moet plaatsvinden dat er geen gevaar voor de gezondheid ontstaat en dat nadelige gevolgen voor het milieu worden beperkt. Dit betekent in de praktijk dat elk toestel deugdelijk aangesloten moet zijn op de binnenriolering. Het BBL verwijst voor de technische uitwerking hiervan direct naar de vigerende NEN-normen.
NEN 3215 is de centrale norm voor de gebouwgebonden riolering in Nederland. Hierin staan de rekenregels voor de dimensionering van leidingen op basis van de lozingskenmerken van de toestellen. De norm hanteert Lozingseenheden (LU) om de hydraulische belasting te kwantificeren. Een wastafel telt anders dan een closet. Wie afwijkt van deze rekenregels, riskeert een haperend systeem. NTR 3216 dient als praktische aanvulling op de NEN 3215 en geeft concrete richtlijnen voor de installatietechniek, zoals de maximale lengte van aansluitleidingen zonder extra beluchting.
De Europese norm NEN-EN 12056 stelt eisen aan de ontwerpprincipes van binnenriolering onder vrij verval. Een cruciaal aspect bij elk lozingstoestel is het waterslot. Volgens de regelgeving moet elk lozingstoestel voorzien zijn van een stankafsluiter met een minimale waterkolom van 50 millimeter om de barrière tussen rioollucht en verblijfsruimte te garanderen. Bij specifieke toestellen zoals vloerputten in utiliteitsbouw kunnen afwijkende eisen gelden, maar de luchtdichtheid blijft het uitgangspunt. Wanneer een toestel niet direct op de zwaartekracht kan lozen, komen de eisen voor afvalwateropvoerinstallaties uit de NEN-EN 12050-reeks in beeld. Deze schrijven voor hoe pompsystemen veilig en betrouwbaar de lozing naar een hoger gelegen niveau transporteren.
De oorsprong van het moderne lozingstoestel ligt in de negentiende-eeuwse sanitaire revolutie. Voor die tijd was lozen een kwestie van directe afgifte aan de openbare ruimte of beerputten; een specifiek 'toestel' ontbrak vaak. De introductie van het waterslot door Alexander Cummings in 1775 markeerde het nulpunt van de technische ontwikkeling. Pas toen werd het mogelijk om een fysieke scheiding aan te brengen tussen de leefruimte en de rioollucht. In Nederland verschenen de eerste vaste lozingstoestellen op grote schaal pas aan het eind van de 19e eeuw in de rijke stadswijken, waarbij de focus verschoof van collectieve buitenvoorzieningen naar individuele binnenopstellingen.
Materialen dicteerden decennialang de vormgeving en aansluitmethode. Tot diep in de twintigste eeuw waren lozingstoestellen van zwaar gietijzer of aardewerk, aangesloten op loden of gresbuizen. De verbindingen waren star. Arbeidsintensief ook. Met de opkomst van kunststoffen zoals PVC en PE in de jaren zestig onderging het lozingstoestel een transformatie. De aansluitingen werden gestandaardiseerd. De montage werd sneller. Waar men vroeger vertrouwde op puur empirische ervaring, zorgde de naoorlogse woningbouw voor een drang naar systematiek. Dit leidde tot de eerste versies van de NEN 3215-normering, die het lozingstoestel niet langer als losstaand object zag, maar als een hydraulische variabele in een complex rekenmodel. De transitie van het 'tonnetjesstelsel' naar de vaste watergespoelde binnenriolering dwong installateurs om voor het eerst na te denken over vullingsgraden en beluchting, fundamenten die vandaag de dag nog steeds de basis vormen van elk lozingspunt.
Joostdevree | Iplo | Riool