De stijlen gaan de grond in. Diep. Meestal met een zwaar heiblok tot de dragende zandlaag is bereikt en de palen geen millimeter meer wijken onder de last. De positionering luistert nauw; elke stijl moet exact in het hart van de boogaansluiting van de wulven staan, omdat anders de complexe krachtafdracht van het zware metselwerk naar de fundering onherroepelijk faalt. Tijdens het opmetselen van de troggewelven fungeren deze kubbestijlen als een onverzettelijke ruggengraat die de zijdelingse spatkrachten opvangt die ontstaan door de boogwerking van de muur en de enorme druk van de achterliggende grondmassa.
Een deksloof koppelt de koppen aan de bovenzijde tot een star en samenhangend geheel. Het is een soort horizontale gordel die de individuele krachten verdeelt over de gehele lengte van de kade of sluiswand. Het materiaal, of het nu robuust eikenhout is of modern staal, staat constant onder een enorme mechanische spanning, vechtend tegen de voortdurende druk van het water en de soms brute kinetische energie van aanmerende vaartuigen. Vaak zie je dat de stijlen onder een flauwe hoek landinwaarts worden geplaatst om de natuurlijke neiging tot naar buiten wijken te compenseren, een subtiele ingreep in de geometrie die de stabiliteit van de gehele kademuur op de lange termijn waarborgt.
Hout of ijzer. De meest fundamentele scheidslijn bij kubbestijlen ligt in het gekozen materiaal. Traditioneel vormden massieve eikenhouten palen de standaard, herkenbaar aan hun robuuste voorkomen en de vaak verweerde koppen net boven de waterlijn. Eikenhout bood de nodige flexibiliteit om de lichte trillingen van het water en de gronddruk op te vangen. Maar hout rot. Zeker op de grensvlakken van lucht en water waar schimmels vrij spel hebben.
Met de industriële revolutie deed het gietijzer zijn intrede. Deze varianten zijn vaak slanker uitgevoerd maar bezitten een enorme drukvastheid, wat essentieel is om de horizontale spatkrachten van de zware bakstenen gewelven te beteugelen. In moderne restauraties ziet men regelmatig stalen profielen die de vorm van de oude houten stijlen nabootsen; soms zelfs bekleed met houten schaaldelen om het historische stadsgezicht te bewaren zonder in te leveren op de structurele integriteit van de kademuur.
Niet elke paal in het water is een kubbestijl. Het onderscheid zit in de constructieve koppeling. Waar een eenvoudige meerpaal of wrijvingspaal vaak losstaat van de hoofdconstructie om schepen te geleiden, is de kubbestijl onlosmakelijk verbonden met de boogmuren of 'wulven'.
Men kan onderscheid maken tussen de vrijstaande kubbestijl, die optisch losstaat van de achterliggende muur maar onder de waterlijn verbonden is met de fundering, en de ingelaten stijl. Bij die laatste valt de stijl gedeeltelijk in een verticale uitsparing van het metselwerk. Dit geeft een strakkere afwerking en beschermt de stijl beter tegen direct contact met schurende scheepsrompen.
Soms ontstaat er verwarring met de algemene term 'kadestijl'. Hoewel de functie vergelijkbaar is, slaat de kubbestijl specifiek op de elementen die de boogconstructie of de ruimte tussen de bogen (de kubbe) ondersteunen. Een subtiel verschil. Toch is het cruciaal voor de restaurateur die de oorspronkelijke krachtenverdeling van een historische sluiswand moet doorgronden. Bij moderne betonnen kades is de kubbestijl feitelijk geëvolueerd tot de verticale steunbeer, al ontbreekt daar vaak het karakteristieke uiterlijk van de losse paal.
Stel je een wandeling voor langs de Utrechtse grachten of een historische sluis in Zeeland. Je ziet de karakteristieke boogmuren, de zogenaamde wulven. Precies op het punt waar twee bogen elkaar raken, daar waar de druk op het metselwerk het grootst is, steekt een robuuste paal uit het water. Dat is de kubbestijl. Hij staat daar niet toevallig. Hij fungeert als het ankerpunt dat voorkomt dat de kade de gracht in schuift. Het water klotst constant tegen het eikenhout of gietijzer. Soms zie je de sporen van een schurend schip; de stijl vangt de klap op en beschermt het fragiele metselwerk erachter.
Kijk naar een drooggelegde sluiskolk tijdens groot onderhoud. Het is een indrukwekkend gezicht. De kubbestijl blijkt dan veel langer dan gedacht. Hij is diep de bodem in geheid. Vaak zie je dat de stijl een fractie achterover hellend is geplaatst. Een bewuste fout? Absoluut niet. De oude waterbouwmeesters wisten dat de enorme gronddruk de paal na verloop van tijd naar buiten zou duwen. Door hem 'tegen de druk in' te plaatsen, staat hij na honderd jaar precies loodrecht. In moderne havensteden tref je soms stalen varianten aan. Ze zijn slanker en zwart gecoat, maar vervullen exact dezelfde taak als hun houten voorvaderen bij het beteugelen van de spatkrachten van de zware bakstenen gewelven.
Werken aan historische sluizen of kademuren met kubbestijlen brengt een specifiek juridisch speelveld met zich mee. De Erfgoedwet is hierbij vaak leidend. Bij rijksmonumentale kades is voor elke ingreep aan de constructie, hoe klein ook, een omgevingsvergunning voor een monumentenactiviteit vereist. Geen discussie mogelijk. De constructieve toetsing bij herstel of vervanging geschiedt langs de lat van de Eurocodes. NEN-EN 1997, ook wel Eurocode 7 genoemd, borgt de geotechnische stabiliteit van de verankering in de bodem terwijl NEN-EN 1995 de eisen voor houtconstructies dicteert wanneer men kiest voor eikenhouten stijlen.
Veiligheid staat centraal. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt algemene kaders voor de stabiliteit van bouwwerken in de openbare ruimte. In de praktijk botst deze robuuste eis soms met de wens voor historisch materiaalgebruik. Maatwerk is dan noodzakelijk. Een constructeur moet aantonen dat de gekozen oplossing, bijvoorbeeld een stalen kern in een houten omhulsel, voldoet aan de vigerende veiligheidsnormen zonder het historische stadsgezicht aan te tasten.
Vergeet de Keur niet. De lokale waterschapsverordening stelt stringente regels voor ingrepen in waterkeringen of de doorstroom van watergangen. Elke wijziging aan de positie of dikte van kubbestijlen kan invloed hebben op het waterbeheer. Toestemming van de waterbeheerder is onontbeerlijk. Het is een samenspel van monumentenzorg, civiele techniek en waterrecht.
De oorsprong van de kubbestijl ligt in de overgang van tijdelijke houten beschoeiingen naar permanente stenen kades tijdens de late middeleeuwen. Ingenieurs zochten naar stabiliteit. De oplossing was het troggewelf. Door verticale stijlen diep in de bodem te slaan, konden de horizontale krachten van de achterliggende grondmassa worden geconcentreerd op specifieke punten. In de zeventiende eeuw bereikte deze techniek een technisch hoogtepunt. Het werd de standaard voor sluiskolken.
Met de opkomst van de formele waterbouwkunde in de achttiende eeuw veranderde de kubbestijl van een pragmatische oplossing in een exact berekend onderdeel. De afstand tussen de stijlen werd genormaliseerd. De koppeling met de deksloof werd robuuster. Na 1850 verschenen de eerste gietijzeren varianten in de grotere handelssteden, een directe reactie op de toenemende diepgang en massa van stoomschepen. Het systeem van bogen en stijlen bleef dominant tot de opkomst van gewapend beton in de twintigste eeuw de constructieve noodzaak voor zichtbare kubbestijlen grotendeels overnam. Vandaag de dag is de historische kubbestijl vooral een object van specialistische restauratietechniek.