De winning geschiedt doorgaans in dagbouw, waarbij de winbare banken met zorg worden vrijgelegd van de bovenliggende deklagen. Directe selectie aan de groevewand is onmisbaar. Niet elke gedolven brok is bruikbaar voor de bouw. Men slaat op de steen om de innerlijke kwaliteit te toetsen; een heldere, zingende klank duidt op een goede verkitting, terwijl een doffe slag verraadt dat de steen te poreus of inwendig gescheurd is. Dit handmatige sorteerproces bepaalt de uiteindelijke levensduur van de constructie.
Bewerken is een kwestie van ruw houwen. De steenhouwer volgt hierbij de natuurlijke splijtvlakken van het materiaal. Het is fysiek zwaar werk. In de uitvoering van het metselwerk is de positionering van de steen doorslaggevend. Blokken worden 'op hun leger' verwerkt. Dit houdt in dat de natuurlijke afzettingslagen horizontaal komen te liggen, waardoor de verticale druk loodrecht op de lagen staat en afschilfering door vorst tot een minimum beperkt blijft, hoewel dit bij zeer onregelmatige brokken vaak een complexe puzzel vormt voor de vakman op de steiger.
De grilligheid van de steen dwingt tot brede voegen. Metselaars vullen deze ruimtes met een aangepaste mortel die flexibel genoeg is om de werking van het gesteente op te vangen. Soms worden kleinere steenschilfers in de mortel gedrukt om de stabiliteit te waarborgen en het specieverbruik in grote holtes te beheersen. Het metselverband is zelden strak. Het volgt de logica van de beschikbare steenvormen, wat resulteert in een robuust en levendig gevelbeeld.
De ene ijzerzandsteen is de andere niet. In de Lage Landen vormt de Diestiaanse ijzerzandsteen de meest prominente variant. Deze steen dankt zijn naam aan de Formatie van Diest en is herkenbaar aan de aanwezigheid van glauconiet. Vers uit de grond heeft de steen vaak een donkergroene tot bijna zwarte zweem, maar door oxidatie slaat dit om naar het bekende chocoladebruin. Een technisch onderscheid wordt vaak gemaakt op basis van de korrelgrootte; grove korrels resulteren in een ruwere textuur die lastiger te bewerken is voor fijn detailwerk.
Soms spreekt men over oölitische ijzerzandsteen. Hierbij bestaat het gesteente uit kleine, ronde bolletjes (oöiden) die door ijzeroxiden aan elkaar zijn gekit. Deze variant is vaak compacter en homogener van structuur dan de typische Diestiaan. In de volksmond duiken termen op als bruinsteen of roeststeen, al zijn dit geen officiële petroclastische termen maar louter beschrijvende namen voor de uiterlijke verschijning.
Verwarring ontstaat vaak met oer of moerasijzererts. Dat is begrijpelijk. De chemische basis — ijzeroxide als bindmiddel — is immers identiek. Toch zijn het wezenlijk andere materialen. Oer is een concretionair product dat zich vormt in de bodem door neerslag uit ijzerrijk grondwater, vaak in de vorm van grillige, brosse knollen of dunne, onregelmatige banken. IJzerzandsteen is een volwaardig sedimentair gesteente. Het is massiever. Stabieler ook. Waar oer vaak te bros is voor dragende constructies, leent de goed verkitte zandsteen zich uitstekend voor zwaar metselwerk in kerken en verdedigingswerken.
Het verschil met 'gewone' zandsteen zit puur in het cement. Bij reguliere zandsteen zorgt kalk of silicaat voor de binding. Bij de ijzerhoudende variant neemt limoniet die rol over. Dit bepaalt niet alleen de kleur, maar ook het verwanderingsgedrag onder invloed van zure regen en atmosferische vervuiling.
De torenvoet van een Brabantse dorpskerk. Massief. Hier zijn de blokken op hun grootst, vaak gecombineerd met kalkstenen hoekstukken voor de broodnodige precisie bij de hoekoplossingen, omdat ijzerzandsteen zich simpelweg niet leent voor messcherpe profileringen. De steen vormt de stoere basis. In de volle zon glinsteren de kwartskorrels tussen het roestige cement, terwijl de gevel op een grauwe regendag bijna zwart oogt door de volledige verzadiging met vocht.
Een boerderijplint in de zandstreek. De onderste zestig centimeter van de gevel bestaat uit onregelmatige, nauwelijks behouwen brokken. Logische keuze. Het materiaal was lokaal voorhanden en bleek verrassend bestand tegen de constante wisseling van nat en droog vlak boven het maaiveld, een zone waar gewone baksteen door zoutuitbloei of vorst al snel zou degraderen.
De kloptest op de steiger. Een restauratiemetselaar slaat met zijn hamer behoedzaam op een vers geleverd blok. Hij luistert. Die heldere 'ping' geeft aan dat de verkitting door het hele blok consistent is. Bij een doffe klank, de beruchte 'tok', weet hij genoeg: inwendige breuken of een te zachte kern. Die steen gaat direct naar de stort of wordt enkel gebruikt als onzichtbare vulling midden in een dikke muur. Soms zie je ook kleine 'stootstenen' in de voeg gedrukt. Dit zijn scherven van hetzelfde materiaal, gebruikt om grote kieren tussen de grillige blokken op te vullen en de mortel te sparen. Een puzzel van natuursteen.
NEN-EN 771-6 bepaalt de technische spelregels voor natuursteenmetselstenen. Deze Europese norm verplicht fabrikanten om essentiële kenmerken zoals druksterkte, wateropname en vorstbestendigheid nauwkeurig vast te leggen. Voor ijzerzandsteen is dit een uitdaging. De natuurlijke variatie binnen een winningslocatie maakt eenduidige data lastig. Toch is een CE-markering onmisbaar voor de handel. Een Prestatieverklaring (DoP) moet bij elke partij aanwezig zijn. Zonder deze documentatie mag het materiaal formeel niet worden toegepast in constructieve bouwwerken.
Kwaliteitsborging begint bij de bron. De norm schrijft voor dat de petrografische beschrijving van het gesteente helder is. Gebruikers moeten weten of ze met een Diestiaan of een oölitische variant te maken hebben. De weerstand tegen zoutkristallisatie is een ander kritiek punt in de regelgeving, zeker bij blootstelling aan agressieve milieu-omstandigheden. Wie ijzerzandsteen voorschrijft, moet kunnen aantonen dat de specifieke partij voldoet aan de eisen voor de beoogde blootstellingsklasse.
De Erfgoedwet zet de lijnen uit voor historisch ijzerzandsteen. Omdat dit gesteente vaak de kern vormt van beschermde monumenten, is willekeurige vervanging uitgesloten. Authenticiteit regeert. De Uitvoeringsrichtlijn Historisch Metselwerk (URL 2007) vormt hierbij de technische ruggengraat voor vakmensen. Het is geen vrijblijvend document. Restauratieplannen moeten voldoen aan de criteria van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). Vergunningsplicht is bij ingrepen aan monumentale gevels bijna altijd aan de orde. Geen uitzonderingen.
Bij hergebruik gelden specifieke afspraken. Oude blokken die vrijkomen bij sloop of demontage vallen onder de regels voor bouw- en sloopafval, tenzij ze direct een herbestemming krijgen binnen een restauratieproject. De milieuwetgeving, zoals het Besluit Bodemkwaliteit, kan relevant worden wanneer restmateriaal als funderingsmateriaal of oeverbescherming wordt ingezet. Toch ligt de focus bij ijzerzandsteen primair op de cultuurhistorische waarde en de instandhoudingsplicht die daaruit voortvloeit. De vakman op de steiger werkt binnen een strak kader van vergunningen en richtlijnen.
De geschiedenis van ijzerzandsteen als bouwmateriaal is onlosmakelijk verbonden met de geologie van het Hageland en de Kempen. In de vroege middeleeuwen was transport van zware bouwmaterialen over land een logistieke nachtmerrie. Men bouwde met wat de directe omgeving bood. De ijzerhoudende banken van de Formatie van Diest lagen op veel plaatsen vlak onder de oppervlakte. Dit maakte de steen tot de ruggengraat van de regionale architectuur. Vooral tussen de dertiende en vijftiende eeuw kende het gebruik een absolute piek. De zogenaamde Demergotiek is er volledig op gebaseerd. Kerken in plaatsen als Aarschot, Diest en Leuven tonen nog altijd de massieve, roestbruine muren die zo typerend zijn voor deze periode.
Pragmatisme dicteerde de materiaalkeuze. Aanvankelijk werd de steen onbewerkt toegepast in de Romaanse bouwstijl. Dikke muren. Kleine openingen. Met de komst van de gotiek veranderde de techniek; men ging de blokken vakkundiger behouwen om grotere vensterpartijen en slankere constructies mogelijk te maken. Toch bleef de variabele kwaliteit een zwak punt. De opkomst van de baksteenindustrie in de vijftiende eeuw luidde het einde in van ijzerzandsteen als primair constructiemateriaal. Baksteen was goedkoper. Uniformer ook. IJzerzandsteen degradeerde langzaam tot een materiaal voor funderingen, plinten of minder zichtbaar vulwerk in zware muurkernen.
In de negentiende eeuw volgde een korte herwaardering. De neogotiek zocht naar een terugkeer naar lokale tradities en de 'eerlijkheid' van natuursteen. Architecten grepen terug op de robuuste uitstraling van de bruine steen voor restauraties en nieuwe kerken, al bleek de duurzaamheid van nieuw gedolven materiaal vaak tegen te vallen door onvoldoende selectie aan de groeve. De twintigste eeuw markeerde het definitieve einde van de grootschalige winning. De meeste historische groeves zijn inmiddels getransformeerd tot natuurgebied of recreatieplas. Tegenwoordig is de rol van ijzerzandsteen puur behoudend. De ontwikkeling is gestopt bij de conservering van wat er nog staat. Nieuwe toepassingen zijn zeldzaam. Het is nu een steen die enkel nog wordt aangeraakt voor restauratiedoeleinden, waarbij de schaarste aan kwalitatieve vervangingssteen de grootste technische uitdaging vormt.
Joostdevree | Ecopedia | Milieuinfo | Oar.onroerenderfgoed | Kijkeensomlaag | Meensel-kiezegem | Orfeo.belnet