De verwerking geschiedt in verticale banen. Eerst de nonnen. Deze onderpannen rusten met de holle zijde naar boven direct op de panlatten, waarbij de brede kant van de pan altijd naar de nok wijst. Er is geen zijdelingse sluiting aanwezig. De waterdichtheid is volledig afhankelijk van de verticale overlap en de hellingshoek van het dakvlak, omdat het water via de holle geul naar beneden wordt geleid zonder dat er een mechanische barrière tussen de pannen onderling bestaat. Vervolgens worden de monniken aangebracht. Deze bolle bovenpannen overspannen de verticale naden tussen de onderliggende rijen en grijpen over de opwaartse randen van de nonnen heen. Fixatie gebeurt traditioneel met kalkspecie. Dit is zwaar werk. De specie dient niet enkel voor de hechting maar vult ook de holtes op om inwaaiend vocht, stuifsneeuw en ongedierte uit het dakbeschot te weren.
In de moderne restauratiepraktijk ziet men soms mechanische bevestiging door middel van rvs-haken of schroeven, al blijft de mortelmethode voor de esthetiek van historische panden vaak onovertroffen. Het dakvlak wordt rij voor rij van onder naar boven opgebouwd. Maatvoering is onverbiddelijk. Omdat het systeem geen speling in de breedte toestaat, bepaalt de fysieke maat van de pan de exacte indeling van het dak, wat bij onregelmatige dakvlakken vraagt om voortdurend visueel corrigeren door de vakman. De nokafwerking vormt het sluitstuk, waarbij de laatste rij pannen vaak extra zwaar in de mortel wordt gezet om windbelasting op de kwetsbare randen op te vangen.
Monniken en nonnen. Zo staan deze pannen in de volksmond bekend, een directe verwijzing naar de manier waarop de bolle bovenpan de holle onderpan omarmt. De vakwereld spreekt ook wel over kloosterpannen. Hoewel de basisvorm al duizenden jaren meegaat, stammen de types die we nu in de restauratie zien vaak af van de Romeinse imbrex en tegula, waarbij de overspanning van de voegen cruciaal is voor de waterdichtheid. In Zuid-Europa zie je ze op elke straathoek. In de Lage Landen zijn ze zeldzamer en vaak voorbehouden aan specifieke historische architectuur.
Varianten uiten zich vooral in de afwerking. Ongeglazuurde pannen van natuurlijke klei vormen de standaard en krijgen na verloop van tijd dat karakteristieke patina. Er bestaan echter ook geglazuurde versies, vaak toegepast op prestigieuze gebouwen om mosgroei te weren en een specifieke kleurdiepte te forceren. De vorm kan variëren van nagenoeg halfrond tot licht taps toelopend; die laatste vorm is essentieel voor een goede schuifbaarheid in de lengterichting van het dakvlak.
Verwarring ligt op de loer. De term 'holle pan' wordt in Nederland namelijk ook vaak gebruikt voor de Oude Holle pan, ook wel de S-pan genoemd. Dit is echter een fundamenteel ander systeem. Waar de holle en bolle pan uit twee afzonderlijke elementen bestaan die over elkaar heen worden gestapeld, combineert de Oude Holle pan de holte en de welving in één enkel gebakken element.
Geen losse onderdelen. Bij de monniken en nonnen creëer je een dubbellaags systeem met een enorme dieptewerking die de S-pan nooit kan evenaren. Het is het verschil tussen een golvend reliëf en een vlakker, meer uniform dakbeeld. De echte monniken en nonnen missen bovendien elke vorm van kop- of zijsluiting. Ze vertrouwen puur op massa en overlap.
Handvormpannen. Grillig en uniek. Bij restauratieprojecten van hoge cultuurhistorische waarde kiest men vaak voor handgevormde exemplaren omdat de lichte onregelmatigheden zorgen voor die gewenste, bijna organische textuur op het dak. Geen pan is hetzelfde. Moderne varianten worden echter vaak machinaal geperst. Dit resulteert in een hogere maatvastheid en een lagere porositeit, wat de levensduur bevordert maar soms ten koste gaat van de visuele authenticiteit.
Taps is troef. De betere varianten lopen smal toe aan één zijde. Hierdoor 'haken' de pannen beter in elkaar zonder dat er direct specie aan te pas hoeft te komen voor de stabiliteit, al blijft mortel voor de winddichtheid in ons klimaat vaak onmisbaar. Een technisch detail dat het verschil maakt tussen een dak dat generaties meegaat en een dak dat bij de eerste storm begint te rammelen.
Kijk op een zonnige middag naar het dak van een historisch landhuis. De diepe schaduwen die de monniken over de nonnen werpen, creëren een ritmiek die vlakke pannen missen. Het dak lijkt bijna te bewegen. De verticale lijnen zijn dominant. Hier zie je geen strakke, klinische afwerking, maar een dakvlak dat leeft door de kleine variaties in de welving van de handgevormde klei.
Een vakman staat op de steiger. Hij plaatst een nieuwe monnik over twee bestaande nonnen. Geen schroeven. Geen clips. Hij gebruikt een vette kalkmortel om de kop van de pan te fixeren. De specie puilt lichtjes onder de rand vandaan. Dit is essentieel. Het vult de ruimte op zodat de wind geen vat krijgt op de pannen en voorkomt dat vogels nestelen in de holtes onder de bovenste pannenrij.
Een oude boerenschuur met een licht golvende dakconstructie. De sporen zijn door de eeuwen heen iets geweken. Een moderne, strakke pan zou elke knik in de kap genadeloos blootleggen. Monniken en nonnen niet. Door de overlappende, losse structuur volgt de bedekking de natuurlijke glooiing van het houtwerk. De pannen vangen de onregelmatigheden op. Het resultaat oogt organisch in plaats van technisch defect.
In een moderne villa aan de kust wordt gekozen voor dit type dakbedekking vanwege de zware uitstraling. De windbelasting is hier fors. Daarom zie je hier vaak de combinatie van de traditionele look met verborgen rvs-bevestigingshaken. De pannen liggen rotsvast. De karakteristieke ronde vorm zorgt ervoor dat zoute zeelucht en regenwater direct naar het hart van de non worden geleid en snel worden afgevoerd naar de goot, zonder dat vocht tussen de zijdelingse naden door kan dringen.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) vormt het juridische fundament voor elk dakvlak in Nederland. Waterdichtheid is geen suggestie, maar een harde eis. Artikel 4.218 van het BBL stelt kaders voor de waterwerendheid van de uitwendige scheidingsconstructie. Omdat holle en bolle pannen geen zijdelingse sluiting bezitten, is de hellingshoek van het dakvlak cruciaal om aan deze prestatie-eisen te voldoen. Vaak geldt een ondergrens van 25 graden.
NEN 6707 is onmisbaar voor de windvastheid. Deze norm dicteert de rekenmethode voor de verankering van dakbedekkingen. Windzuiging mag de pannen niet lichten. In kustregio's zijn de regels strenger. Alleen mortel als bevestigingsmiddel voldoet in veel moderne berekeningen niet meer aan de vigerende veiligheidsnormen, waardoor aanvullende mechanische fixatie vaak verplicht is.
De pannen zelf vallen onder NEN-EN 1304. Deze Europese norm stelt eisen aan de keramische eigenschappen. Vorstbestendigheid. Breuksterkte. Waterdoorlatendheid. Bij werkzaamheden aan monumenten komt de Erfgoedwet om de hoek kijken. Hierbij wordt vaak verwezen naar de Uitvoeringsrichtlijn URL 4014 voor het historisch verantwoord herstellen van pannendaken. Vakmanschap moet hier aantoonbaar zijn. Geen concessies aan de historische gelaagdheid.