De realisatie van een ezelsrugboog start bij de geometrische uitslag op de werkvloer. Hier worden de vier noodzakelijke middelpunten voor de cirkelsegmenten bepaald. Nauwkeurigheid is cruciaal. Een fractie afwijking verstoort de vloeiende overgang van de bolle aanzet naar de holle top. Voor de productie van de individuele boogstenen maakt men gebruik van gedetailleerde mallen. Sjablonen. Steenhouwers kappen de natuursteenblokken zodanig dat de profilering naadloos aansluit op het aangrenzende deel.
Bij bakstenen varianten is vaak handmatig bijslijpen of hakken van de stenen nodig om de specifieke kromming van de S-lijn exact te kunnen volgen zonder dat de voegen onregelmatig worden. Tijdens het metselen of plaatsen van de natuurstenen elementen fungeert een houten formeel als tijdelijke ondersteuning. Dit formeel heeft exact de tegenvorm van de boogvleugels. De voegen in het werk lopen straalsgewijs naar de middelpunten van de betreffende cirkelbogen.
Vakmanschap in optima forma. De metselaar of steenzetter werkt vanaf de aanzet aan beide zijden gelijktijdig naar de top toe. Pas wanneer het bovenste element of de sluitsteen op zijn plek zit, is de constructie zelfdragend. De druk verdeelt zich dan via de dubbele buiging naar de onderliggende muren of kolommen. Vaak eindigt de uitvoering in een decoratieve bekroning die de opwaartse lijnen van de boog visueel samenbrengt.
In het interieur van grote kathedralen vind je de boog vaak terug bij beeldnissen. Een nis in een zijmuur wordt aan de bovenzijde afgesloten met deze dubbele kromming. Het vormt een natuurlijk baldakijn voor het heiligenbeeld dat eronder staat. Hier is de boog vaak uitgevoerd in fijnmazig natuursteen, waarbij de overgang van de bolle naar de holle zijde bijna naadloos is gepolijst.
Bakstenen varianten kom je tegen in de Noord-Nederlandse kerken. Het effect is hier robuuster. De metselaar heeft de bakstenen met een kaphamer of slijpschijf in vorm gebracht om de S-lijn te kunnen volgen. De voegen zijn hierdoor vaak iets breder aan de buitenzijde van de boog. Het oogt minder fragiel dan de Franse varianten, maar de karakteristieke spits blijft herkenbaar. Zelfs in laatgotisch houtsnijwerk, zoals bij koorbanken, zie je de ezelsrugboog terug als herhalend motief in de rugleuningen.
De ezelsrugboog is nagenoeg altijd onlosmakelijk verbonden met historisch vastgoed. Hierdoor vormt de Erfgoedwet het primaire juridische kader. Een monumentale status beperkt de vrijheid van handelen aanzienlijk. Vergunningplicht is de regel, niet de uitzondering. Bij ingrepen aan de constructie of de uiterlijke verschijningsvorm van de boog moet de cultuurhistorische waarde gewaarborgd blijven. Behoud gaat voor vernieuwing.
Constructieve veiligheid valt onder het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Ook bij restauratie. Hoewel een ezelsrugboog vaak decoratief lijkt, draagt deze in veel gevallen een deel van de bovenliggende gevelmassa. Stabiliteit is een vereiste. Voor de uitvoering van herstelwerkzaamheden aan natuurstenen of bakstenen bogen wordt vaak verwezen naar de uitvoeringsrichtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM). Relevante normen. Specifiek de URL 4001 voor steenhouwwerk biedt een methodiek voor het verantwoord kappen en plaatsen van de complexe S-vormige segmenten. Geen ruimte voor nattevingerwerk. De materiaalkeuze moet bovendien voldoen aan de eisen met betrekking tot compatibiliteit met historische mortels. Dit voorkomt schade door zoutuitbloei of thermische spanningen.
De veertiende eeuw bracht de ommekeer. In de vroege gotiek regeerde de passer met een bijna ijzeren logica van strakke cirkelsegmenten, maar de laatgotische bouwmeesters zochten naar meer dan louter constructieve eerlijkheid. Ze wilden beweging. Dynamiek gevangen in natuursteen. De ezelsrugboog, elders vaak aangeduid als de ogee-arch of accoladetracerie, verscheen voor het eerst prominent in de Engelse 'Decorated Style'. Het was een bewuste breuk met de starre spitsboog die de dertiende eeuw had gedomineerd.
In de Lage Landen en Frankrijk groeide deze boogvorm uit tot het DNA van de flamboyante gotiek. Geen noodzaak meer voor alleen dragende structuren. De boog werd een grafisch element in uitbundige venstertraceringen en boven portalen. Pure ornamentiek. Het markeerde het einde van de abstracte, sobere geometrie ten gunste van organische, vlamachtige lijnen die de visuele verticaliteit van kathedralen en stadhuisgevels versterkten. Rond 1500 bereikte dit vakmanschap zijn technisch hoogtepunt; steenhouwers beheersten de complexe stereotomie die nodig was om de dubbele kromming naadloos uit te voeren.De renaissance smoorde de populariteit van de ezelsrugboog. De hang naar de klassieke oudheid bracht de rondboog terug en verbande de 'barbaarse' gotische grillen naar de marge van de architectuurhistorie. Een pauze van drie eeuwen volgde. Pas bij de opkomst van de neogotiek in de negentiende eeuw keerde de vorm terug in het straatbeeld. Ditmaal niet als bittere noodzaak voor gewelfbouw, maar als historiserend stijlelement in de burgerlijke architectuur en bij de restauratie van middeleeuwse monumenten.