De vaststelling van de EPC-waarde geschiedde via een gestandaardiseerde rekenmethodiek waarbij de fysieke gebouweigenschappen werden getoetst aan de normatieve eisen uit de NEN 7120. Dit proces begon bij het verzamelen van geometrische data uit de ontwerptekeningen. Oppervlaktes van de schil werden ingevoerd. Elk detail telde mee. Van de isolatiewaarde van de spouwmuur tot de g-waarde van de beglazing. In de rekensoftware werd het gebouw gemodelleerd als een verzameling rekenzones waarin de energiebalans werd gesimuleerd.
Installatietechnische variabelen vormden een substantieel onderdeel van de berekening. Rendementen van verwarmingstoestellen, koelinstallaties en de impact van hernieuwbare energiebronnen zoals PV-panelen werden direct tegen de gebouwgebonden verliezen weggestreept. De adviseur voerde specifieke waarden in voor de luchtdoorlatendheid en de thermische kwaliteit van lineaire koudebruggen. Hierbij werd vaak gewerkt met forfaitaire waarden of gedetailleerde berekeningen van de qv;10-waarde. Het resulterende getal fungeerde als een energetisch saldo. Bij een overschrijding van de wettelijke norm volgde een aanpassing in de materiaalkeuze of installatieopzet. Een noodzakelijk samenspel tussen architect en energieadviseur tijdens de voorbereidingsfase van de bouw. De definitieve berekening vormde een verplicht onderdeel van het dossier voor de aanvraag van de omgevingsvergunning.
De EPC-normering was geen monolithisch blok. Verschillende bouwfuncties eisten verschillende benaderingen. Voor woningbouw spraken we specifiek over de Eiw. Utiliteitsbouw? Dat was het domein van de Eiu. Een kantoorpand heeft fundamenteel andere energetische behoeften dan een basisschool of een sporthal. In de rekenmethodiek werd daarom gewerkt met wegingsfactoren per gebruiksfunctie. Complexiteit troef. Waar een woning vooral draait om warmtebehoud en tapwater, speelt bij utiliteitsgebouwen de koellast en de intensiteit van de verlichting een veel dominantere rol. Het resultaat voor een ziekenhuis liet zich dan ook nooit één-op-één vergelijken met dat van een rijtjeswoning.
Nomenclatuur zorgt in de bouwsector soms voor hardnekkige ruis. EPC wordt vaak in één adem genoemd met EPA, het Energieprestatie-advies voor bestaande bouw. Toch zijn het andere beesten. De EPC was een ontwerp-eis. Een theoretische exercitie aan de tekentafel. Sinds 1 januari 2021 is de EPC formeel opgevolgd door de BENG-indicatoren. BENG 1, 2 en 3. Waar de EPC één enkel, dimensieloos getal was, kijkt de BENG-systematiek naar drie afzonderlijke prestatie-eisen: de energiebehoefte, het primair fossiel energieverbruik en het minimale aandeel hernieuwbare energie. De oude EPG-methodiek (Energieprestatie Gebouwen) vormde de technische ruggengraat onder de EPC, geborgd in de norm NEN 7120. Verwarring met het energielabel ligt op de loer. Het label is het uiteindelijke bewijsstuk van de gerealiseerde prestatie bij oplevering of verkoop. De EPC was de bindende belofte in de vergunningsfase. Een cruciaal verschil voor de juridische houdbaarheid van een bouwproject.
Een projectontwikkelaar bouwt in 2016 een woonwijk. EPC-eis: 0,4. De architect tekent grote raampartijen op het zuiden. Prachtig voor het licht, maar een risico voor de energiebalans. In de berekening compenseert de adviseur dit glasoppervlak met extra PV-panelen en een hoogwaardige warmtepomp. Zonder die technische ingrepen zou het getal op 0,45 uitkomen. Geen vergunning. De EPC dwingt hier tot een integrale afweging tussen esthetiek en techniek.
Kantoorpanden met veel glasoppervlak. Hier draait de EPC-berekening vaak om de koellast. Een adviseur voert zonwerende beglazing en automatische buitenzonwering in om de Eiu-waarde binnen de wettelijke perken te houden. Zonder deze voorzieningen verbruikt de koelinstallatie te veel stroom. De software laat direct zien dat passieve maatregelen aan de schil effectiever zijn dan het achteraf bijplaatsen van extra koelvermogen. Efficiëntie aan de bron.
Transformatie van een oude drukkerij naar luxe lofts. De bestaande muren zijn koud en ongeïsoleerd. Om aan het Bouwbesluit van die tijd te voldoen, is een sluitende EPC-berekening vereist voor de nieuwe woonfunctie. Voorzetwanden met hoogwaardige PIR-isolatie. Triple glas in de bestaande kozijnen. De berekening toont aan dat alleen isoleren niet genoeg is; er moet een collectief systeem voor warm tapwater komen om het streefgetal te halen. Een puzzel van bouwdelen en installaties.
De EPC was geen suggestie. Het was een keiharde eis. De juridische grondslag vond zijn oorsprong in de Woningwet en werd later nader gespecificeerd in het Bouwbesluit 2012. Hierin stond klip-en-klaar dat voor nieuwbouw de energieprestatie bepaald moest worden volgens de op dat moment geldende bepalingen. Wie wilde bouwen, moest rekenen. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) maakte de EPC-berekening tot een onlosmakelijk onderdeel van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Ontbrak de berekening of was de uitkomst hoger dan de wettelijke grenswaarde? Dan volgde er simpelweg geen goedkeuring van de gemeente.
Technisch werd deze wettelijke plicht ingevuld door de NEN 7120. Deze norm fungeerde als de wettelijk aangewezen rekenmethode onder de regeling Energieprestatie Gebouwen. Hoewel we tegenwoordig werken met het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) en de BENG-eisen op basis van de NTA 8800, blijft de oude wetgeving de basis voor de vergunde staat van miljoenen vierkante meters vastgoed. Een gebouw moet immers altijd blijven voldoen aan het rechtens verkregen niveau op het moment van de aanvraag. Handhaving door het bevoegd gezag steunt op deze historische dossiers. Geen verleden zonder wet, geen gebouw zonder dossier.
De introductie van de Energieprestatiecoëfficiënt in 1995 markeerde een kantelpunt in de Nederlandse bouwregelgeving. Voor die tijd stuurde de overheid voornamelijk op losse isolatiewaarden. Met de komst van de EPC verschoof de focus naar een integrale benadering van het gebouw als energetisch systeem. De eerste norm voor woningbouw werd vastgesteld op 1,2. Een waarde die naar de huidige maatstaven als uiterst royaal wordt beschouwd. Het was het startsein voor een decennialange reeks aanscherpingen, ingegeven door internationale klimaatafspraken en de Europese EPBD-richtlijnen.
De lat ging stapsgewijs omlaag. In 2000 dreef de overheid de eis op naar 1,0, gevolgd door een daling naar 0,8 in 2006. Architecten en installateurs moesten steeds inventiever worden. Waar men aanvankelijk wegkwam met iets dikkere isolatie, werden later technieken als warmteterugwinning (WTW) en hoogrendementsbeglazing de standaard. In 2011 volgde de stap naar 0,6. De laatste grote aanscherping vond plaats in 2015, toen de EPC-eis voor woningen op 0,4 werd gezet. Een halvering van de oorspronkelijke ambitie.
Methodisch veranderde er ook veel. De versnipperde rekenmethodieken zoals de NEN 5128 en NEN 2916 maakten in 2012 plaats voor de eenduidige NEN 7120. Dit creëerde een uniform speelveld voor zowel woningbouw als utiliteit. De EPC groeide uit van een simpele rekensom tot een complexe ontwerpdiscipline die de markt dwong tot innovatie in warmtepompen en zonne-energie. Op 1 januari 2021 kwam er een einde aan dit tijdperk. De dimensieloze coëfficiënt maakte plaats voor de BENG-systematiek, die beter aansluit bij de werkelijke energiebehoefte in kilowatturen per vierkante meter.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Technischeunie | Ce | Epcinvest | Admgroup