Stempels omhoog. Het werk begint met een woud van houten palen en planken. Zonder deze volledige onderstempeling is de montage van de ongewapende elementen onmogelijk, want ze dragen zichzelf simpelweg nog niet tijdens de bouwfase. De blokken worden handmatig in strakke banen op de tijdelijke bekisting geschoven. Rij na rij. Tussen de elementen blijven open kanalen achter die fungeren als gietvorm voor de toekomstige betonribben. Hier vlijt de vlechthelder de noodzakelijke wapeningsstaven in de lengte- en dwarsrichting. Het is passen en meten in de krappe sleuven.
Dan komt het beton. De vloeibare mortel vult de tussenruimtes, maar de holle kernen van de elementen moeten juist leeg blijven. Dat is de crux voor de gewichtsbesparing. De ruwe, open structuur van de zijkanten grijpt zich vast in de nieuwe specie terwijl deze uithardt, waardoor een sterke mechanische verbinding ontstaat. Pas als de constructie de berekende druksterkte heeft bereikt, wijkt de ondersteuning. De vloer transformeert op dat moment van een verzameling losse componenten naar een monolithische, dragende schijf. Het is een proces van sjouwen, nauwkeurig stellen en storten. Blok voor blok.
Boor in de hand. Je zet de machine op de vloer van een doorzonwoning uit 1958 voor de aanleg van een nieuwe standleiding. Na twee centimeter massieve weerstand van de afwerklaag schiet de boorkop plotseling de leegte in. Geen massief beton. Wat er aan de boor hangt? Grijs, korrelig gruis dat aan grof zand doet denken. Het stof dwarrelt neer. Je hebt de holle kamer van een bimsblok geraakt, precies tussen de dragende ribben in. Een paar centimeter naar links en je had op het staal van de wapening gestuit.
Lamp aan in de kruipruimte. Het plafond boven je is geen gladde, witte spiegel, maar een repeterend patroon van grijze, poreuze bakken. De textuur is grof en open. Je ziet de voegen van de betonribben duidelijk lopen als strakke, donkerdere lijnen tussen de blokken door. Het oogt bijna als een omgekeerde eierdoos van steen. Soms zie je wat uitgelopen cementsluier langs de randen van de blokken, een versteende herinnering aan de dag dat de vloeibare specie tussen de elementen werd gegoten. Het is die specifieke grijstint die de Cusveller direct onderscheidt van de rode, keramische varianten die in dezelfde periode werden toegepast.
Regels bepalen de houdbaarheid. Bij ingrijpende renovaties of functiewijzigingen van naoorlogse panden dwingt het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) de eigenaar om de constructieve veiligheid te toetsen aan het wettelijk voorgeschreven niveau voor bestaande bouw. De Cusveller vloer is destijds berekend volgens de toen geldende normen, zoals de Gewapend Beton Voorschriften (GBV 1950 of 1962), die aanzienlijk verschillen van de huidige Eurocodes. Voor een constructeur betekent dit vaak een exercitie in de NEN 8700-reeks. Deze normenserie specifiek voor de beoordeling van bestaande constructies biedt de kaders om te bepalen of de vloer de huidige gebruiksbelastingen nog veilig kan dragen zonder dat een volledige versterking noodzakelijk is.
Veiligheid is geen statisch gegeven. In vochtige kruipruimtes kan de beperkte betondekking op de wapening in de ribben leiden tot corrosie, wat direct raakt aan de zorgplicht die in de woningwet is vastgelegd. Men moet alert zijn op schadebeelden. Bij het uitvoeren van werkzaamheden zoals het frezen van sleuven voor vloerverwarming of het boren van grote sparingen geldt bovendien de Arbowetgeving strikt. Het verspanen van bimsbeton veroorzaakt kwartsstof. Dit materiaal is geclassificeerd als kankerverwekkend, waardoor bronafzuiging en persoonlijke beschermingsmiddelen niet slechts een advies zijn, maar een wettelijke vereiste voor elke vakman op de bouwplaats.
De wederopbouw schreeuwde om innovatie. Materialen waren schaars en de woningnood was torenhoog. In Katwijk aan Zee zag de firma J. Cusveller in de vroege jaren vijftig kansen met hun eigen variant op de ribbenvloer. Het moest sneller en vooral lichter. Bimsbeton, vervaardigd uit vulkanisch gesteente uit de Eifel, bood de oplossing. Dit systeem liftte mee op de brede acceptatie van Hollith-betonkorrels als licht toeslagmateriaal. De jaren zestig markeerden de absolute hoogtijdagen. Hele woonwijken in de Randstad rusten op deze kenmerkende grijze blokken. Geen zware kranen. Handkracht domineerde de bouwplaats. Dat was de nuchtere realiteit op de steiger.
De ondergang van het systeem was een kwestie van economie. Arbeid werd simpelweg te duur. De noodzaak voor een volledige houten bekisting en intensieve onderstempeling strookte niet langer met de drang naar industriële schaalvergroting. Pas met de opkomst van zwaarder materieel en de prefab kanaalplaatvloer in de jaren zeventig verloor de Cusveller vloer zijn marktpositie. Het systeem verdween geruisloos uit de catalogi van de nieuwbouw. Wat rest is een enorme voorraad in de bestaande woningbouw, waar de vloer nu de technische uitdaging vormt bij energetische renovaties en moderne constructieve toetsingen.