De ruimtelijke ordening volgens de CIAM-methodiek vertrekt vanuit een rigoureuze ontleding van de stedelijke dynamiek. Men hanteert hierbij de vier hoofdfuncties: wonen, werken, recreëren en transport. Deze functies worden in het planproces strikt van elkaar gescheiden om de conflicten van de historisch gegroeide, compacte stad op te lossen. De uitvoering van dit principe steunt op de tabula rasa; de bestaande stedelijke weefsels maken plaats voor een rationeel geordend systeem. Planners leggen zones vast waarbinnen slechts één activiteit is toegestaan, waardoor een overzichtelijke maar verspreide stedelijke structuur ontstaat.
De overgang van gesloten bouwblokken naar open strokenbouw is kenmerkend voor de fysieke uitwerking. Gebouwen staan niet langer aan de straatwand maar worden als autonome objecten in een vrije ruimte geplaatst. De oriëntatie van deze bouwvolumes volgt vaak een strikte noord-zuid-as. Dit gebeurt om een optimale bezonning en ventilatie voor elke wooneenheid te garanderen. Licht en lucht zijn hierbij technische parameters geworden. Verkeersstromen worden hiërarchisch ingericht. Snelverkeer krijgt vrij baan op geïsoleerde hoofdwegen, terwijl voetgangersstromen via gescheiden niveaus of paden door het groen worden geleid.
Typische kenmerken in de uitvoering:
De methodiek dwingt een herhaling van geometrische vormen af. Efficiëntie regeert. Men ontwerpt van binnenuit, waarbij de individuele woning de kleinste cel vormt van het grotere stedelijke organisme. De samenhang tussen de verschillende zones wordt gewaarborgd door een netwerk van transportverbindingen die de fysieke afstand tussen wonen en werken overbruggen.
CIAM is geen statisch model. De beweging kende verschillende fasen die elk een eigen ruimtelijke focus hadden. In de beginjaren, rond 1929, domineerde de zoektocht naar de Woning voor het Bestaansminimum (Existenzminimum). De focus lag hierbij op de kleinste cel: de plattegrond van de sociale huurwoning. Efficiëntie was heilig. Alles draaide om de vraag hoe een arbeidersgezin op zo min mogelijk vierkante meters toch gezond kon leven. Later verschoof de aandacht naar de stad als geheel. Dit culmineerde in de bekende Charte d'Athènes (1933), het document dat de strikte functiescheiding dicteerde. Hier werd de 'Functionele Stad' geboren. Wonen, werken en verkeer kregen hun eigen, strikt gescheiden domeinen.
Na de Tweede Wereldoorlog ontstond een nieuwe variant: de focus op de menselijke maat en de sociale samenhang. Men sprak niet langer alleen over zones, maar over het Heart of the City. De stad moest weer een hart krijgen. Deze late CIAM-periode zocht naar een synthese tussen de kille logica van de machine en de emotionele behoefte van de bewoner. Het was een zachtere, meer humane interpretatie van het modernisme, hoewel de fundamenten van hoogbouw en open ruimte bleven staan.
In Nederland manifestatie CIAM zich primair via de stroming Het Nieuwe Bouwen. Architectengroepen zoals 'De 8' uit Amsterdam en 'Opbouw' uit Rotterdam waren de drijvende krachten. Hoewel ze de universele principes van CIAM volgden, was de Nederlandse variant vaak pragmatischer. Men zocht naar een directe koppeling met de volkshuisvesting en de uitbreidingsplannen van grote steden. Een cruciaal onderscheid moet worden gemaakt met de Delftse School. Waar CIAM pleitte voor platte daken, beton en glas, greep de Delftse School terug op baksteen, schuine kappen en traditionele ambachtelijkheid. Het was een bittere strijd tussen progressie en traditie.
Het is een misverstand dat elke moderne wijk een CIAM-wijk is. Veel naoorlogse wijken zijn een verwaterde vorm van het oorspronkelijke ideaal. De echte CIAM-variant herken je aan de compromisloze scheiding van verkeersstromen en de volledige afwezigheid van de traditionele straatwand. Als de plint van een gebouw niet is opgetild op kolommen (pilaars of pilotis), mist vaak een essentieel CIAM-kenmerk: de continue doorloop van de publieke ruimte onder de bebouwing door.
Loop door Slotermeer. Geen gesloten bouwblokken of donkere binnentuinen zoals in de Pijp. In plaats daarvan zie je herhaling. Lange, parallelle strokenbouw-blokken die schijnbaar willekeurig in het gras zijn gestrooid. De zon raakt elke gevel op exact hetzelfde tijdstip. Licht. Lucht. Ruimte. Je loopt dwars door een parklandschap zonder een voordeur tegen te komen die direct aan het trottoir grenst. Hier is de theorie van de 'Functionele Stad' gestold in baksteen en beton.
Een fietser op een verhoogd betonnen dek. Onder hem razen auto’s. Dat is de CIAM-gedachte in extremis. Wonen op hoogte, recreëren in het groen tussen de flats, en het verkeer als een apart mechanisme weggewerkt. Geen winkel op de hoek van de straat. De functies zijn chirurgisch gescheiden. De 'corridorstraat' is doodverklaard. Een hiërarchie van snelheid regeert de ruimte. Het resultaat is een parklandschap waar de menselijke maat soms botst met de logistiek van de machine.
Kijk naar een modern appartementencomplex dat op kolommen is geplaatst. De begane grond blijft grotendeels open. De tuin loopt gewoon door onder het volume. Geen massieve plint die de straat blokkeert, maar transparantie. De 'pilotis' zorgen ervoor dat de bebouwing de publieke ruimte niet 'steelt', maar eroverheen zweeft. Het gebouw is een autonoom object geworden in een continue groene zone. Dit zie je terug in vroege ontwerpen van Le Corbusier, maar ook in de naoorlogse galerijflats die Nederland transformeerden.
Stap een gemiddelde naoorlogse sociale huurwoning binnen. De keuken is compact, bijna klinisch. Geen plek om te socialiseren, enkel om te werken. De woonkamer is georiënteerd op de zon. De slaapkamers zijn klein en functioneel. Dit is het 'Existenzminimum' in uitvoering. Elke vierkante centimeter is berekend op basis van menselijke handelingen en efficiëntie. Geen verloren ruimte. Geen ornament. Puur gebruiksgemak volgens een universele blauwdruk.
CIAM-principes zijn geen wetten op zich. Toch bepaalden zij decennialang de juridische kaders van de Nederlandse ruimtelijke ordening. De Woningwet van 1901 legde de basis. Hiermee kreeg de overheid grip op de volkshuisvesting en konden modernistische ideeën over hygiëne en zonering wettelijk worden afgedwongen in lokale bouwverordeningen. Het was een revolutie. Bestemmingsplannen werden de instrumenten om de strikte functiescheiding — wonen, werken en recreatie — juridisch te verankeren. De organische groei van steden maakte plaats voor een rigide, planologische benadering die elke vierkante meter een specifieke bestemming toewees.
De invloed is nog steeds tastbaar. In het huidige Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) zijn de echo's van de modernisten hoorbaar. Denk aan de minimale daglichttoetreding. Of de strikte ventilatie-eisen voor verblijfsgebieden. Hoewel de term CIAM niet in de wetstekst staat, zijn deze kwantitatieve normen directe nakomelingen van de strijd voor 'Licht, Lucht en Ruimte'. De wet dicteert nu wat de architecten van toen als morele plicht zagen. Geen vage esthetiek maar harde cijfers over glasoppervlaktes en luchtverversing. Het gaat om de borging van de volksgezondheid via de gebouwde omgeving.
De overgang van de Wet op de Ruimtelijke Ordening naar de Omgevingswet verandert de focus, maar de basisstructuur van veel Nederlandse wijken blijft gebonden aan de oorspronkelijke modernistische verkavelingsvergunningen. In deze gebieden regeert de scheiding van verkeersstromen. Een fietser op een eigen pad. De auto op de hoofdweg. Deze hiërarchie is vaak vastgelegd in verkeersbesluiten en ruimtelijke plannen die teruggaan op de principes van de Charte d'Athènes. Het is een juridische erfenis van rationalisme.
De oprichting van CIAM in 1928 in La Sarraz was een directe reactie op de verstikkende architectuurtradities van de École des Beaux-Arts. Wat begon als een losse verzameling avant-gardisten, transformeerde snel tot een strak georganiseerd internationaal orgaan. De vroege congressen waren experimenteel. Men zocht naar een antwoord op de woningnood en de onhygiënische toestanden in de industriële steden. De doorbraak kwam in 1929 in Frankfurt. Hier werd de focus vernauwd tot het Existenzminimum: de technisch-rationele zoektocht naar de kleinst mogelijke, maar functionele woning. Dit was geen esthetische keuze. Het was bittere noodzaak in een Europa dat kampte met enorme sociale tekorten.
De doctrine bereikte haar kookpunt tijdens CIAM IV in 1933, gehouden op de SS Patris II tussen Marseille en Athene. Hier werd de stad ontleed als een machine. De resulterende Charte d’Athènes werd het heilige schrift voor de naoorlogse stedenbouw. Het dicteerde de volledige scheiding van functies. De historische stad werd niet langer gezien als een monument, maar als een obstructie voor vooruitgang. Na de Tweede Wereldoorlog verschoof de machtsbasis. De wederopbouw van Europa vroeg om grootschalige oplossingen. CIAM leverde de blauwdrukken.
In de jaren vijftig ontstonden de eerste scheuren in het modernistische bolwerk. De machine-benadering voldeed niet meer. Jongere leden, verenigd in Team 10, bekritiseerden de kilheid van de functionele stad. Zij introduceerden sociaal-psychologische begrippen als 'identificatie' en 'menselijke clustering'. De spanning tussen de oude garde, waaronder Le Corbusier, en de jonge honden zoals Aldo van Eyck leidde uiteindelijk tot de opheffing van de organisatie in 1959. De slotakte vond plaats in Otterlo. De rigide systematiek van CIAM had zichzelf overleefd, maar de technische erfenis — de scheiding van verkeersstromen en de rationele verkaveling — bleef de standaard in de bouwpraktijk tot diep in de jaren zeventig.
Joostdevree | Nl.wikipedia | En.wiktionary | En.wikipedia | Archined | Oasejournal