Bij de montage van de bekisting worden centerpennen door de panelen gestoken. Deze stalen staven vangen de enorme druk van de verse betonmortel op. Spreidstukken of conussen fixeren daarbij de exacte wanddikte. Na de verharding vindt de extractie van de pennen plaats. Er blijft een kanaal achter door de gehele dikte van de constructie. Dit proces is repetitief. De behandeling van deze holtes is direct afhankelijk van de technische en esthetische eisen aan de wand.
Voor waterdichte constructies is een hermetische afsluiting noodzakelijk. Men kiest hier vaak voor het aanbrengen van krimpvrije mortel, zwelrubbers of het plaatsen van speciale lijmpluggen. Bij schoonbetonprojecten speelt de visuele afwerking een grotere rol. De conussen worden na het ontkisten verwijderd, waarna men de gaten al dan niet voorziet van esthetische afdekplaatjes of betonnen conussen die exact in de opening worden verlijmd. Handmatige afwerking domineert hierbij. Soms blijft de kunststof huls in de wand zitten, maar meestal wordt deze aan de uiteinden weggebroken of teruggesneden om voldoende diepte te creëren voor een deugdelijke afdichting. Het uiteindelijke patroon volgt altijd de logica van het bekistingsontwerp.
Druk dwingt deze gaten af. Vloeibare betonmortel perst de bekistingswanden naar buiten, waardoor stalen centerpennen de enige manier zijn om de wanddikte onder controle te houden. Het trekken van deze pennen laat een litteken in de monoliet achter. Een structurele discontinuïteit. De gevolgen zijn vooral bouwfysisch van aard en doorgaans ongewenst. Het gat fungeert als een potentieel lekpad voor vocht en luchtstromen. Bij kelders onder de grondwaterspiegel is zo'n holte een directe bron van capillaire lekkages. Ook de geluidsisolatie lijdt; geluid reist simpelweg door de lucht in de gaten. Een akoestisch lek is het resultaat. Visueel gezien creëert de schaduwwerking een diepte-effect dat het gevelbeeld fragmenteert, terwijl onbehandelde gaten verzamelpunten worden voor vuil en kalkuitbloei.
Niet elk centerpengat is identiek. In de ruwbouw domineren twee systemen de praktijk: gaten met een verloren kunststof mantelbuis en gaten die direct in het beton zijn gevormd door conische pennen. Bij de variant met mantelbuis blijft een pvc- of vezelcementhuls permanent in de wand achter. Dit is efficiënt. Het gat is hierdoor over de gehele lengte cilindrisch en glad. Bij systemen zonder huls, vaak ingezet bij zware systeembekistingen, wordt de pen na het storten getrokken. Dit laat een ruwer kanaal achter.
Het architectonische centerpengat vormt een categorie apart. Hierbij staat de esthetiek centraal. De diepte van de conus en de exacte diameter van de afdruk zijn vooraf bepaald. Men spreekt in dit kader vaak over conusgaten, wat strikt genomen verwijst naar de afgeronde of scherp afgetekende inkeping die de conische afdichting in het betonvlak nalaat.
In de bouwkeet vallen vaak termen als ankergat of pasgat. Hoewel deze vaak als synoniem voor centerpengat worden gebruikt, is er een nuance. Een ankergat kan ook verwijzen naar een gat bedoeld voor chemische of mechanische ankers achteraf. Verwar het centerpengat nooit met een sparing. Een sparing is een geplande opening voor leidingwerk of constructieve doorvoeren. Het centerpengat is procesmatig. Het is een residu van de drukbeheersing tijdens de stortfase.
| Type | Kenmerk | Toepassing |
|---|---|---|
| Mantelbuisgat | Kunststof of vezelcement huls blijft achter | Standaard woning- en utiliteitsbouw |
| Conisch gat | Taps toelopend, geen blijvende huls | Zware infra en systeembekisting |
| Architectonisch gat | Strak gedefinieerde conusafdruk | Schoonbeton en zichtwerk |
Voor waterdichte wanden bestaan er varianten met een geïntegreerde waterstop. Hierbij is de mantelbuis voorzien van een flens of zwelrubber in het midden. Het gat zelf blijft hetzelfde, maar de interne barrière voorkomt dat water door de wand migreert. Een klein detail met grote gevolgen voor de kelderbouw.
Kijk naar de massieve wand van een nieuw viaduct. Je ziet een reeks grijze, ronde stippen in een strak stramien. Functioneel en sober. Soms zie je nog net de rand van een blauwe of grijze kunststof huls zitten. Dat is het centerpengat in zijn meest basale vorm. In een parkeerkelder herken je ze helaas vaak als de zwakke schakel; een vochtige kring rondom zo'n rondje verraadt direct dat de waterdichte afwerking hier te wensen overlaat. Een klein lekpad met grote gevolgen.
Architecten omarmen dit litteken juist. In een modern museum vormen de gaten een ritmisch raster dat de enorme schaal van het betonvlak visueel behapbaar maakt. Geen slordige mortelprop. Hier zie je verdiepte, prefab betonnen dopjes die met chirurgische precisie in de opening zijn verlijmd. Het strijklicht valt erin. Er ontstaat een subtiel schaduwspel. Schoonbeton in optima forma.
In de woningbouw blijven deze gaten vaak verborgen achter een gipsplaat of isolatielaag. Onzichtbaar. Maar wie tijdens de ruwbouwfase over de bouwplaats loopt, ziet de gaten als de blauwdruk van de gebruikte bekistingspanelen. Het vertelt het verhaal van de druk die het vloeibare beton uitoefende op het staal. Soms vormen ze bij een latere verbouwing een onverwacht voordeel; een reeds aanwezig kanaal door een dertig centimeter dikke betonwand waar precies een dunne elektrakabel doorheen past.
De aanwezigheid van centerpengaten raakt direct aan de fundamentele prestatie-eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Een gat is een lek. Voor de thermische schil betekent dit dat de luchtdichtheid in het geding komt, wat strijdig kan zijn met de geldende energieprestatie-eisen. In kelders en waterkerende constructies dwingt de regelgeving rondom vochtwering een waterdichte afdichting af. Onbehandelde gaten die leiden tot capillaire werking of directe lekkage zijn simpelweg ontoelaatbaar volgens de bouwregelgeving.
Brandveiligheid vormt een ander kritiek punt in de regelgeving. Bij brandcompartimentering moet de vulling van elk centerpengat dezelfde brandwerendheid bezitten als de betonnen wand zelf. Een gat mag de integriteit van een brandscheiding nooit compromitteren. Dit vereist vaak het gebruik van gecertificeerde mortels of speciale brandwerende pluggen die voldoen aan de relevante NEN-normen voor branddoorslag en brandoverslag.
De technische realisatie van de gaten en de afwerking ervan vallen onder de vlag van NEN-EN 13670, de Europese norm voor het vervaardigen van betonconstructies. Deze norm schrijft voor dat alle tijdelijke hulpmiddelen, waaronder centerpennen, zodanig moeten worden verwijderd of behandeld dat de duurzaamheid van de wapening niet in gevaar komt. Corrosie door indringend vocht via een slecht gedicht gat is een constructief risico.
Wanneer esthetiek een contractuele eis is, komt CUR-Aanbeveling 100 in beeld. Deze richtlijn is de standaard voor schoonbeton in Nederland. Het document stelt kaders voor:
Het niet naleven van deze esthetische richtlijnen leidt regelmatig tot discussies over de leveringskwaliteit, aangezien het centerpengat bepalend is voor de visuele acceptatie van het betonwerk.
In de vroege dagen van de betonbouw was het centerpengat een onbekend verschijnsel. Men vertrouwde op massieve houten bekistingen die extern werden geschoord met zware balken en wiggen. Een log systeem. Ruimteverslindend bovendien. De druk van het vloeibare beton werd destijds volledig door deze externe constructie opgevangen, waardoor de wanden na ontkisting een ononderbroken, ruw oppervlak vertoonden. Pas met de opkomst van hogere betonconstructies en de noodzaak voor efficiënter materiaalgebruik ontstond de behoefte aan een inwendige koppeling tussen de bekistingsplaten.
De stalen trekstang verving de externe balk. De wand hield zichzelf vast.
De eerste generaties centerpennen waren rudimentair; vaak niet meer dan stalen draadeinden die na het storten werden afgeknipt en in het beton achterbleven. Dit veroorzaakte structurele problemen. Roestvorming aan de uiteinden vrat zich een weg naar binnen, wat leidde tot betonrot en ontsierde gevels. De innovatie van de verwijderbare pen, gecombineerd met conische tussenstukken, markeerde een technisch kantelpunt in de jaren 50 van de vorige eeuw. Het gat werd een vast onderdeel van de bouwcyclus.
Vanaf de jaren 60 onderging de status van het centerpengat een transformatie. Waar het voorheen als een bouwfysisch defect werd beschouwd dat zo onzichtbaar mogelijk moest worden weggewerkt, integreerden architecten in het brutalisme de gaten in hun ontwerp. De afdruk van de techniek werd de versiering van de gevel. De ontwikkeling van de verloren kunststof mantelbuis in de jaren 70 en 80 zorgde vervolgens voor de definitieve standaardisatie. Het proces werd sneller. De gaten werden uniformer. Tegenwoordig is de evolutie verschoven van de vorming van het gat naar de technische vulling ervan, gedreven door steeds strengere eisen aan brandveiligheid en waterdichtheid die in de vroege betonbouw simpelweg niet bestonden.