Het aanbrengen van cannelures gebeurt in de praktijk op twee manieren: tijdens het vervaardigen van de zuil of achteraf op een reeds geplaatste zuil.
Bij natuursteen zuilen worden de groeven traditioneel met de hand uitgehakt of met behulp van een mal gefreesd. De schacht wordt eerst waterpas gezet en de groeves worden afgetekend. De groef zelf krijgt een bepaalde diepte en breedte, afhankelijk van de zuildiameter en de bouworde. De overgang tussen twee groeven wordt scherp afgewerkt (graat) of voorzien van een vlakke band (riem).
Bij prefab beton of gipszuilen worden de cannelures in de mal aangebracht. De mal bevat dus de negatieve vorm van de groeven. Na het storten en uitharden komt de zuil met de cannelures uit de mal.
Bij restauratie van bestaande zuilen kan het opnieuw uithakken of uitslijpen van versleten groeven nodig zijn. De nieuwe groeve wordt dan afgestemd op het bestaande profiel en de schaduwwerking van de naastgelegen cannelures.
Cannelures zijn door hun uitgesproken profiel extra kwetsbaar. De scherpe randen van de graat slijten het snelst, zeker bij hoge zuilen waar wind en regen jarenlang tegenaan beuken. Vorstwerking doet de rest: water dat in de groeve blijft staan, zet bij bevriezing uit en kan stukken van de rand afdrukken. Bij zandsteen en kalksteen zie je dit fenomeen vaker dan bij hardere steensoorten zoals graniet.
De gevolgen zijn niet alleen esthetisch. Een afgebrokkelde graat verandert de schaduwwerking van de hele zuil. De verticale lijn die het oog volgt, wordt onderbroken. Bij dragende zuilen kan diepgaande aantasting van de groeven zelfs de draagkracht beïnvloeden, al is dat pas het geval bij ernstige materiaalverliezen.
Vervuiling speelt ook een rol. In de beschutting van de groeve hecht vuil zich makkelijker en ontstaat er een ongelijkmatig patroon van donkere strepen. Dat contrast wordt sterker naarmate de zuil langer aan weersinvloeden is blootgesteld. In stedelijke omgevingen komt daar nog eens roet en uitlaatgassen bij, die zich in de microporiën van de steen vastzetten.
Bij cannelures onderscheid je grofweg drie hoofdvarianten, afhankelijk van de bouworde waar ze deel van uitmaken. De Dorische zuil heeft doorgaans twintig ondiepe groeven die elkaar direct raken. Tussen die groeven zit geen plat vlak, maar een scherpe kant, de zogenaamde graat. Dat geeft een strak, hoekig beeld. Ionische en Korinthische zuilen tellen meestal vierentwintig groeven, die dieper zijn uitgesneden en onderling gescheiden worden door een smalle platte band, de riem of tenia. Die tussenruimte zorgt voor een zachter, rijker schaduwspel op de schacht.
Daarnaast bestaat er een opvallende variant: de gedraaide of spiraalvormige cannelure. Die komt vooral voor bij barokke zuilen en wordt ook wel getordeerd genoemd. De groeven lopen dan niet recht langs de schacht, maar draaien er als een kurkentrekker omheen. Deze vorm benadrukt de verticaliteit minder en geeft de zuil juist een beweeglijk, dynamisch karakter. In de gotiek kom je cannelures minder tegen, maar in de renaissance en het classicisme beleefden ze een sterke heropleving.
Een belangrijk onderscheid is verder dat tussen cannelures op zuilen en die op pilasters. Bij pilasters zijn de groeven vaak vlakker uitgevoerd omdat ze anders te dominant zouden worden in het gevelvlak. Soms worden cannelures ook toegepast op andere bouwdelen, zoals schoorsteenmantels, meubelstukken of lijstwerk, maar dan meestal in sterk vereenvoudigde vorm. In dat geval spreekt men ook weleens van schaduwgroeven, een term die in de interieurbouw gangbaar is voor ondiepe, louter decoratieve groeven die geen klassieke verhoudingen volgen.
Verwarrend kan het onderscheid zijn tussen cannelures en godrons. Godrons zijn verticale, gewelfde of bolle ribben, het tegenovergestelde van de holle groef. Ze komen voor op zuilvoeten, vazen en kapitelen. Waar een cannelure dus een verdieping is, is een godron een verhevenheid. In de praktijk worden die termen nog weleens door elkaar gehaald, maar het verschil is fundamenteel voor de schaduwwerking: een groef vangt schaduw, een ribbe vangt licht.
Loop door een willekeurige Nederlandse stad en je ziet ze. Het paleis op de Dam in Amsterdam heeft een gevel met pilasters waarvan de cannelures in de natuursteen zijn uitgeslagen. Bij de begane grond zijn die groeven dieper dan op de verdiepingen. Geen toeval: onder ooghoogte vangt een diepere groef meer schaduw en oogt de pilaster daardoor krachtiger.
Neem een klassiek herenhuis uit 1900. De entree heeft vaak een portiek met twee natuurstenen zuilen. Zet je er een liniaal tegenaan, dan voel je de cannelures: ondiepe, halvemaanvormige groeven die over de volle hoogte van de schacht lopen. Bij de voet en het kapiteel houden ze op. Die detaillering bepaalt voor een groot deel de uitstraling van zo’n gevel.
Kijk je naar een moderne interpretatie, bijvoorbeeld een appartementengebouw met prefab betonnen zuilen, dan zijn de cannelures vaak minder diep en breder. Soms lopen ze niet eens over de volledige hoogte maar over twee derde van de schacht, met een glad onderstuk. Een bewuste keuze: het oog moet de zuil als één geheel lezen, niet als een verzameling verticale strepen.
Restauratiepraktijk: een jaar of wat geleden is in Den Haag een 19e-eeuwse zuilengalerij gerestaureerd. Een deel van de cannelures was door vorstschade weggeslagen. De steenhouwer heeft eerst een profielmal gemaakt van een gave groeve. Daarmee zijn de nieuwe groeven uitgeslepen en met de hand nagewerkt. Pas toen de zon laag stond en de schaduwen lang werden, bleek of het resultaat klopte met de naastgelegen originele groeven. Er is niets subjectiever dan een rechte lijn die net niet dezelfde schaduw vangt als de buren.
Voor cannelures is geen specifieke wet of norm van toepassing. De toepassing ervan valt onder het bredere kader van de erfgoedzorg en de bouwregelgeving. Bij monumentale panden is de Erfgoedwet leidend. Die bepaalt dat een omgevingsvergunning nodig is voor wijzigingen aan een rijksmonument. Het aanbrengen of herstellen van cannelures op een monumentale zuil valt daar vrijwel altijd onder. Zelfs een ogenschijnlijk kleine ingreep, zoals het verdiepen van een groeve, kan vergunningplichtig zijn.
Voor nieuwbouw geldt het Bouwbesluit. Daarin staan echter geen voorschriften voor decoratieve elementen als cannelures. Het Bouwbesluit richt zich op constructieve veiligheid, brandveiligheid en gezondheid. Cannelures als ornament raken pas aan regelgeving als ze het constructieve deel van een kolom verzwakken. In dat geval gelden de reguliere constructieve eisen uit de NEN-EN-serie voor beton, staal of metselwerk, afhankelijk van het materiaal. Die eisen zijn echter niet specifiek gericht op de groeven maar op de algehele constructieve integriteit van het element.
Bij restauratie van historische zuilen is de Richtlijn voor duurzaam monumentenonderhoud (RDMZ) een veelgebruikt referentiekader. Die richtlijn is geen wet, maar wordt door gemeenten en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wel als toetsingskader gehanteerd. Ze beschrijft hoe je een restauratie moet aanpakken zonder de historische waarde aan te tasten. Voor cannelures betekent dat: het profiel moet overeenkomen met het origineel, de steensoort moet dezelfde zijn en de afwerking moet aansluiten bij de bestaande detaillering. Afwijken van het oorspronkelijke profiel is alleen toegestaan als de steenhouwer daarvoor gemotiveerd een onderbouwing aanlevert.
In de praktijk is er weinig jurisprudentie over cannelures specifiek. Geschillen gaan vrijwel altijd over de vraag of een restauratie voldoende oorspronkelijk is uitgevoerd, of over aansprakelijkheid bij scheurvorming. Die aansprakelijkheid wordt beoordeeld op basis van de algemene zorgplicht uit het Burgerlijk Wetboek, niet op een specifieke norm voor groeven in zuilen.
De cannelure is vrijwel zo oud als de monumentale steenbouw zelf. Al in het oude Egypte, lang voor de Griekse tempelbouw, werden zuilen voorzien van verticale groeven. De meest bekende voorbeelden daarvan staan in Karnak en Luxor, waar de papyrusvormige zuilen bundels van rechte stengels imiteren. Die groeven waren geen toeval: ze versterkten de suggestie dat de zuil een bundel plantaardig materiaal was, samengebonden onder het kapiteel. Het motief was dus een vertaling van een constructietechniek uit de hout- en rietbouw naar steen.
De Grieken namen dat idee over, maar gaven er een eigen draai aan. In de archaïsche periode experimenteerden ze met zuilen die sterk uitliepen naar onderen, met relatief diepe groeven. Naarmate de klassieke bouworden zich in de vijfde en vierde eeuw voor Christus stabiliseerden, raakten de verhoudingen vastgelegd. De cannelure werd onderdeel van een systeem: het aantal groeven, hun diepte en de overgangen ertussen werden bepaald door de bouworde. Die systematiek bleef eeuwenlang bepalend, ook toen de Romeinen het van de Grieken overnamen. Romeinse zuilen zijn doorgaans wel slanker en de groeven vaak dieper, maar het principe bleef intact.
Opmerkelijk genoeg was de cannelure in de middeleeuwen vrijwel verdwenen. De gotische bouwers kozen voor bundelpijlers en mergpijlers met schalken, maar geen klassieke groeven. Pas in de vijftiende eeuw, met de opkomst van de renaissance, kwam het motief terug. Architecten als Brunelleschi en Alberti bestudeerden de antieke overblijfselen nauwkeurig en pasten cannelures opnieuw toe, nu bewust als verwijzing naar de klassieke oudheid. De zeventiende-eeuwse barok kende dan weer een vrije omgang met het motief: gedraaide cannelures, onderbroken groeven en combinaties met godrons. In de negentiende eeuw, tijdens het eclecticisme en de neostijlen, werden de klassieke bouworden vaak streng toegepast op gebouwen die functioneel allesbehalve klassiek waren. Banken, stations en overheidsgebouwen kregen zuilen met cannelures om gezag en duurzaamheid uit te stralen.
Sinds het begin van de twintigste eeuw is de toepassing vooral historiserend of decoratief. De moderne beweging had geen boodschap aan ornament, maar in het traditionalisme en later in het postmodernisme duiken cannelures opnieuw op, zij het vaak in vereenvoudigde vorm en in andere materialen zoals prefab beton of gietsteen. Het opvallende is dat de groeven in al die eeuwen hun oorspronkelijke functie zijn blijven vervullen: het maskeren van de horizontale naden tussen de trommels van een zuil en het accentueren van de verticaliteit. Die dubbele functie, constructief en visueel, verklaart waarom het motief zo hardnekkig is gebleken.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Encyclo | Historiek | Archeologieonline