De realisatie van een bliksembeveiligingsinstallatie start bij de hoogst gelegen punten van de gebouwschil. Metalen opvangers, vaak in de vorm van staven of opvangleidingen, worden strategisch gepositioneerd op daken, dakranden en uitstekende installatiedelen om de ontlading direct te onderscheppen. De positionering volgt nauwgezette geometrische modellen zoals de maaswijdte-methode of de beschermingshoekmethode. Hierbij vormt zich een theoretisch beschermingsvlak over het bouwwerk. Verticale afgaande leidingen koppelen de opvangers direct aan de aardingsinstallatie. Deze leidingen worden langs de gevels of binnen de constructie naar beneden gevoerd. De kortste weg is hierbij essentieel. Scherpe bochten worden vermeden om inductie-effecten en mechanische belasting op de bevestigingen te minimaliseren.
Bij het maaiveld of in de fundering vindt de overgang naar de bodem plaats. Aardelektrodes of ringleidingen dispergeren de elektrische stroom in de aarde. Tegelijkertijd wordt de interne infrastructuur beveiligd. Potentiaalvereffening speelt een sleutelrol. Alle metalen systemen binnen het gebouw, van luchtbehandelingskanalen tot waterleidingen en kabelgoten, worden elektrisch met elkaar verbonden via een centraal aardpunt. Dit voorkomt potentiaalverschillen en overslag. In de verdeelinrichtingen worden overspanningsbeveiligingscomponenten geplaatst om de elektrische installatie te beschermen tegen de restspanningen die via het net of door inductie binnenkomen. Het resultaat is een gesloten kooi-effect waarbij de energie buiten de vitale zones blijft.
| Type variant | Kenmerken | Toepassing |
|---|---|---|
| Geïsoleerd systeem | Geleiders staan op afstand van het object via isolatoren. | Gevoelige elektronica, antennes, silo's. |
| ESE-systeem | Early Streamer Emission; claimt een snellere ontlading op te wekken. | Grote open terreinen, monumenten (omstreden in NL-normen). |
| Natuurlijke componenten | Gebruik van structurele staalelementen van het gebouw zelf. | Betonconstructies met doorverbonden wapening. |
Stel je een groot distributiecentrum voor met een dak vol zonnepanelen. Een enorme vlakte. Hier zie je vaak kleine, verticale metalen opvangers die strategisch rondom de omvormers en kabeltrajecten zijn geplaatst. Slaat de bliksem in, dan wordt de stroom direct via de aluminium leidingen op het dak naar de gevel geleid. Geen schade aan de PV-installatie. Geen brand in de dakisolatie.
In een ziekenhuis ziet de beveiliging er anders uit. Daar draait alles om continuïteit. Naast de zichtbare koperdraden op het dak, vind je binnenin een fijnmazig netwerk van potentiaalvereffeningsrails. Elke metalen operatietafel, elke gasleiding en elk serverrek is hard verbonden met het centrale aardpunt. Komt er een enorme ontlading in de buurt van het gebouw? De overspanningsbeveiliging in de technische ruimtes reageert binnen nanoseconden. De gevoelige MRI-scanners blijven gewoon draaien. Geen dataverlies, geen levensgevaarlijke stroomstoten door medische apparatuur.
Bij moderne woningbouw zie je de beveiliging soms helemaal niet. De architect kiest dan voor natuurlijke componenten. De wapening in de betonkolommen fungeert als afgaande leiding. Bovenaan de kolom, op het dak, zie je alleen een klein rvs-aansluitpunt waar de dakbeveiliging op is afgemonteerd. Onderaan de gevel, net boven het maaiveld, zit soms een testklem achter een kunststof afdekplaatje. Even meten of de verbinding met de funderingsaarding nog optimaal is. Minimalistisch, maar uiterst effectief tegen de verwoestende kracht van een inslag.
In Nederland is de noodzaak voor bliksembeveiliging niet in één allesomvattend wetsartikel vastgelegd voor elk type gebouw. De verplichting vloeit meestal voort uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Dit besluit stelt algemene doelen voor brandveiligheid en de bescherming van personen. Wanneer uit een risico-inventarisatie blijkt dat een blikseminslag een onaanvaardbaar risico vormt voor de brandveiligheid of de constructieve integriteit, wordt een beveiligingsinstallatie noodzakelijk om aan de prestatie-eisen te voldoen. Gebruikersfuncties met een hoge bezettingsgraad of grote maatschappelijke relevantie vallen hier sneller onder. Veiligheid is hier geen optie, maar een randvoorwaarde.
De technische uitwerking van een bliksembeveiligingssysteem moet voldoen aan de NEN-EN-IEC 62305-normenreeks. Deze norm is de leidraad voor ontwerp, installatie en inspectie. Waar de externe beveiliging de mechanische klappen opvangt, reguleert NEN 1010 de binnenzijde van het pand. Voor nieuwe installaties eist NEN 1010 vaak de aanwezigheid van overspanningsbeveiliging (SPD) bij het punt waar de voeding het gebouw binnenkomt. Dit is cruciaal om te voldoen aan de wettelijke zorgplicht voor een veilige elektrische installatie. De samenhang tussen de externe kooi en de interne potentiaalvereffening waarborgt dat de stroompieken de elektrische infrastructuur niet in een gevarenbron veranderen.
Naast de bouwkundige regelgeving stelt de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) eisen aan de veiligheid van de arbeidsplaats. Voor bedrijven die werken met brandbare stoffen of complexe installaties is een deugdelijke bliksembeveiliging onderdeel van het veiligheidsbeheersysteem. Inspecties conform NEN-EN-IEC 62305-3 zijn hierbij de standaard. Verzekeraars hanteren deze normen vaak als harde eis in hun polisvoorwaarden. Het niet periodiek laten keuren van de installatie kan leiden tot uitsluiting van dekking bij schade. Het gaat hierbij om een samenspel tussen publiekrechtelijke eisen en privaatrechtelijke afspraken die de betrouwbaarheid van de gebouwschil bewaken.
De basis van de huidige bliksembeveiliging ligt in de achttiende eeuw. Benjamin Franklin introduceerde de metalen staaf als opvanger. Aanvankelijk was het doel enkel brandpreventie bij houten constructies en kerktorens. Men dacht toen nog puur in termen van 'bliksemafleiding': een enkele draad naar de aarde volstond. Dit veranderde fundamenteel in de negentiende eeuw toen Michael Faraday aantoonde dat een gesloten metalen omhulsel het binnenliggende volume volledig afschermt van elektrische velden. Deze 'Kooi van Faraday' vormt nog steeds het theoretische fundament voor de beveiliging van complexe staal- en betonconstructies.
Met de opkomst van de industriële bouw en de elektrificatie van steden begin twintigste eeuw werd de noodzaak voor standaardisering groot. In Nederland leidde dit tot de eerste formele richtlijnen voor bliksemafleiders. Waar men vroeger uitsluitend uitwendige koperen leidingen op de gevels monteerde, ontstond in de wederopbouwperiode de praktijk om de wapening in betonconstructies als natuurlijke afgaande leiding te gebruiken. De bliksembeveiliging werd zo een integraal onderdeel van het constructieve ontwerp van een gebouw in plaats van een achteraf toegevoegd element.
Vroeger was een gebouw veilig als de muren bleven staan. Dat veranderde. De introductie van gevoelige computertechnologie en elektronische procesbesturing in de jaren tachtig en negentig maakte de traditionele externe beveiliging ontoereikend. Een inslag op honderden meters afstand bleek plotseling voldoende om interne netwerken te verwoesten door inductie. De focus verschoof. De technische evolutie dwong tot de ontwikkeling van interne bliksembeveiliging. Dit resulteerde in het concept van bliksembeveiligingszones (LPZ), waarbij de energie stap voor stap wordt gereduceerd door overspanningsbeveiligers (SPD's).
De regelgeving bewoog mee met deze technologische kwetsbaarheid. Waar oude normen zich beperkten tot eenvoudige installatievoorschriften, introduceerde de overgang naar de NEN-EN-IEC 62305-reeks een methodiek gebaseerd op kwantitatieve risicoanalyse. De installatie is geen statisch gegeven meer. Het is een dynamisch systeem dat wordt gedimensioneerd op basis van de economische waarde van data en de continuïteit van vitale processen. Moderne bliksembeveiliging beschermt niet langer alleen het metselwerk, maar de digitale hartslag van het bouwwerk.
Appartementeneigenaar | Mygo | Homedeal | Gebouwbeveiligingsystemen.jouwweb