De montage start bij de positionering van de ruit tegen de vaste buitenaanslag van het kozijnprofiel. Geen steigers nodig. De glaszetter werkt volledig vanaf de binnenvloer. Cruciaal hierbij is de plaatsing van kunststof steun- en stelblokjes die de ruit op afstand houden van het kozijnhout of profielmateriaal om spanning en direct contact te voorkomen.
Zodra de ruit op de juiste positie staat, worden de glaslatten aan de binnenzijde aangebracht. Deze latten klemmen de ruit vast. Bij houten kozijnen gebeurt dit vaak met nagels, terwijl bij kunststof of aluminium de profielen in de daarvoor bestemde groeven worden geklikt. De sponning moet voldoende omtrekspeling hebben; lucht moet rondom de ruit kunnen circuleren voor een gezonde glasrand.
De afdichting geschiedt doorgaans met celband en een elastische kitvoeg aan zowel de binnen- als buitenzijde. Soms gebruikt men geprefabriceerde beglazingsprofielen van rubber. Omdat vocht via de buitenzijde toch de sponning kan bereiken, is een actieve afwatering in de onderdorpel noodzakelijk. Freeswerk creëert de benodigde openingen naar buiten toe. Dit mechanisme voert binnengedrongen water af en zorgt voor de noodzakelijke beluchting. Een falende ontwatering leidt onherroepelijk tot schade aan de randverbinding van de beglazing. Balans tussen luchtdichtheid binnen en ontwatering buiten is het doel.
Binnenbeglazing is de standaard bij vrijwel alle moderne kunststof en aluminium kozijnsystemen. De profielen zijn constructief zo ontworpen dat de glaslat aan de binnenzijde in een specifieke groef klikt. Bij houten kozijnen is binnenbeglazing een bewuste esthetische en technische keuze. Het grote voordeel? Inbraakwerendheid. Omdat de glaslatten zich binnen bevinden, kunnen onbevoegden de ruit niet simpelweg van buitenaf demonteren door de latten te verwijderen. Geen gedoe met speciale schroeven of verlijmde latten aan de gevelzijde.
Er bestaat een duidelijk onderscheid tussen vaste kozijnen en draaiende delen zoals ramen en deuren. Bij vaste beglazing wordt de ruit direct in het kozijnkader geplaatst. Bij openslaande delen verhuist de hele glasopbouw mee met de vleugel. De glaslatten zitten dan aan de binnenzijde van het draaiende raam. Het principe blijft hetzelfde. De logistiek ook.
Binnen de methodiek van binnenbeglazing maken we onderscheid tussen natte en droge systemen. Natte beglazing is de traditionele route. Hierbij wordt de afdichting tussen glas, kozijn en glaslat gerealiseerd met een elastische kitvoeg op een rugvulling van celband. Het resultaat is een strakke, luchtdichte afsluiting. Onderhoud is hier wel een factor; kit kan na jaren gaan scheuren of onthechten.
Droge beglazing wint terrein. Vooral in de utiliteitsbouw en bij kunststof kozijnen. Hierbij vervangen geprefabriceerde rubberprofielen (vaak EPDM) de kitvoeg. Geen droogtijden. Direct waterdicht. De rubbers zijn vaak al in de glaslat of het kozijnprofiel geïntegreerd. Soms ziet men hybride vormen waarbij de buitenzijde een rubberen afdichting heeft en de binnenzijde wordt afgekit voor een maximale luchtdichting. De keuze voor droog of nat beïnvloedt de detaillering van de sponning en de benodigde glasruimte aanzienlijk.
De technische uitvoering van binnenbeglazing is niet vrijblijvend en rust stevig op de fundamenten van de NEN 3577. Deze norm is de leidraad voor het plaatsen van vlakglas in gebouwen en stelt harde eisen aan de sponningmaten, de ventilatie en de noodzakelijke ontwatering. Zonder een correcte uitvoering conform deze norm riskeert men schade aan de randverbinding van het isolatieglas. De NPR 3577 biedt hierbij de praktische vertaalslag met specifieke details voor diverse kozijntypen. Geen half werk. De sponningventilatie moet gewaarborgd zijn om condensatie en daaropvolgende glasrot te voorkomen.
Wat betreft de inbraakwerendheid vormt de NEN 5096 het toetsingskader. Binnenbeglazing faciliteert vaak op eenvoudige wijze de eisen voor weerstandsklasse 2 (RC2), een standaardvereiste binnen het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) voor nieuwbouw. Omdat de glaslatten zich aan de niet-aanvalszijde bevinden, vervalt de noodzaak voor complexe mechanische borgingen die bij buitenbeglazing wel verplicht zijn om demontage van buitenaf te verhinderen.
De keuze voor binnenbeglazing wordt vaak gedicteerd door de Arbowet. Veiligheid voorop. Het werken vanaf een stabiele verdiepingsvloer reduceert het valgevaar aanzienlijk vergeleken met montage vanaf ladders of tijdelijke steigerconstructies. De wetgever verlangt dat risico's bij de bron worden aangepakt; binnenbeglazing is daarvan een schoolvoorbeeld. Daarnaast speelt de NEN 3569 een rol zodra de beglazing doorloopt tot vloerniveau. Hoewel deze norm primair over de letselveiligheid van het glas zelf gaat, moet de glasopname in de binnensponning wel berekend zijn op de dikte en het gewicht van gelaagd veiligheidsglas. De constructieve samenhang tussen kozijn, glaslat en beglazing moet te allen tijde voldoen aan de wind- en waterdichtheidseisen zoals gesteld in de vigerende bouwregelgeving. Het is een samenspel van glasdikte, sponningdiepte en de juiste stelblokjes.
Traditioneel was glaszetten een handeling die zich uitsluitend aan de buitenzijde van de gevel afspeelde. In de tijd van enkel glas en stopverf was er simpelweg geen alternatief; de ruit rustte in een ondiepe sponning en werd met kit of stopverf vastgezet. De opkomst van de hoogbouw in de jaren zestig en zeventig legde de beperkingen van deze methodiek bloot. Steigerbouw werd een enorme kostenpost bij zowel nieuwbouw als glasvervanging. De bouwsector zocht naar logistieke efficiëntie. Het omdraaien van de sponning bood de oplossing: de glaszetter kon voortaan veilig op de verdiepingsvloer werken, ongeacht de weersomstandigheden.
Met de introductie van dubbel glas in de jaren tachtig veranderde de technische noodzaak. Isolatieglas is zwaarder en de randverbinding is uiterst gevoelig voor vocht. Waar men voorheen ruiten blindelings vastnagelde, dwong de kwetsbaarheid van de glasrand tot een striktere regelgeving. De NEN 3577 markeerde hierbij een historisch kantelpunt. Het besef groeide dat een sponning moest ventileren en ontwateren. Binnenbeglazing faciliteerde dit proces; de glaslatten aan de binnenzijde creëerden ruimte voor complexere profileringen in de onderdorpel die bij buitenbeglazing lastiger te realiseren waren zonder de waterdichtheid in gevaar te brengen.
De opkomst van de kunststof- en aluminiumindustrie heeft de binnenbeglazing definitief tot de standaard verheven. Systeemhuizen ontwikkelden klikprofielen waarbij de glaslat integraal onderdeel werd van de constructieve veiligheid. Inbraakpreventie speelde hierbij een hoofdrol. In de jaren negentig, met de komst van het Politiekeurmerk Veilig Wonen, werd de kwetsbaarheid van buitenlatten een kritisch punt. Binnenbeglazing elimineerde de noodzaak voor dure veiligheidslatten of het vastschroeven en afpluggen van glaslatten aan de aanvalszijde. Wat begon als een logistieke besparing, evolueerde zo tot een fundamenteel principe van inbraakwerend bouwen.