De verwerking van battingen begint bij het positioneren van de balken als horizontale gordingen achter de verticale bekistingspanelen. Ze vormen een stijf skelet. De balken vangen de hydrostatische druk op die ontstaat zodra de betonmortel in de bekisting stroomt, waarbij de krachten direct worden doorgegeven aan de achterliggende stempels of soldaten. Men fixeert de battingen meestal met zware draadnagels of specifieke bekistingsklemmen die de componenten strak tegen elkaar trekken. Het ruw bezaagde oppervlak is hierbij functioneel; de natuurlijke stroefheid van het hout voorkomt dat de constructie onder spanning wegglijdt.
Eenvoud is de norm. Na de uitharding van het beton volgt het ontkisten, waarbij de balken handmatig worden losgewrongen van het plaatmateriaal. Men verwijdert onmiddellijk de gebruikte spijkers en schraapt cementresten weg om de batting gereed te maken voor een volgende inzet op de bouwplaats. Bij maritieme toepassingen verloopt de montage permanent. Hier worden de balken met boutverbindingen of klemmen tegen de binnenzijde van de spanten bevestigd om als robuuste stootbuffer voor de scheepshuid te fungeren. Een effectieve barrière tegen zware lading. Hergebruik bepaalt de cyclus.
De batting is een manusje-van-alles. Je ziet hem overal waar brute kracht belangrijker is dan een fraaie afwerking. In de ruwbouw is hij herkenbaar aan zijn robuuste, vaak wat ruwe uitstraling en de typische grijsachtige betonresten van een vorig project.
In de binnenvaart verandert de batting van een tijdelijk hulpmiddel in een permanente beschermer. Loop over het gangboord en kijk in het ruim van een zandschip. Je ziet daar de zogenaamde wegering. Dikke balken die de stalen scheepshuid afschermen. Wanneer een zware grijper van een overslagkraan het ruim in duikt, fungeert het hout als stootbuffer. De badding vervormt of beschadigt, maar het staal van het schip blijft intact. Functioneel opoffermateriaal. Een tactische barrière tussen lading en constructie.
Veiligheid is geen suggestie. Wanneer battingen worden toegepast in een dragende constructie, ongeacht of deze tijdelijk van aard is zoals bij een complexe wandbekisting, dienen deze formeel te voldoen aan de Eurocode 5 (NEN-EN 1995) voor houtconstructies. NEN-EN 338 dicteert hierbij de spelregels voor de sterkteklassen. Voor vurenhout is klasse C18 meestal de ondergrens, terwijl voor zwaarder belaste hulpconstructies vaak C24 wordt geëist. De Europese Verordening Bouwproducten (CPR) verplicht bovendien dat hout dat een permanente structurele functie vervult, voorzien is van een CE-markering.
Bij de 'badding' in de tijdelijke ruwbouw wordt hier in de praktijk soepeler mee omgegaan dan bij een definitieve dakconstructie, maar de aansprakelijkheid bij bezwijken blijft onveranderd groot. NEN-EN 13377 is specifiek relevant voor geprefabriceerde houten bekistingsdragers, al valt de standaard batting daar als ruw product vaak net buiten; de integrale veiligheid van de bekisting als systeem staat echter centraal in de regelgeving.
De Arbowet stelt scherpe eisen aan de inrichting van de bouwplaats. Tijdelijke voorzieningen zoals een loopbrug of een overbrugging van een sleuf, opgebouwd uit battingen, moeten aantoonbaar veilig zijn. Het Arbobesluit artikel 3.16 over het voorkomen van valgevaar is hier leidend. Een batting die fungeert als onderdeel van een werkvloer of randbeveiliging moet voldoende stijfheid bezitten om doorbuiging en bezwijken te voorkomen. Geen natvingerwerk. In de maritieme sector gelden aanvullende regels via de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), waarbij de deugdelijkheid van de wegering in het ruim indirect invloed heeft op de constructieve integriteit van het schip tijdens belading. Sterkte is hier een wettelijke randvoorwaarde voor transportveiligheid.
De batting, in de wandelgangen steevast badding genoemd, is een overlevende. Zijn etymologische wortels liggen in het Engelse batten, een term die met de opkomst van de grootschalige vurenhoutimport uit Scandinavië in de 19e eeuw de Nederlandse bouwplaatsen bereikte. Destijds was de batting geen hulpstuk. Het was de ruggengraat. Men gebruikte deze balken voor definitieve zoldervloeren en eenvoudige gordingkapconstructies in arbeiderswoningen.
Toen veranderde alles. De opkomst van gewapend beton in de vroege 20e eeuw vroeg om een nieuw soort gereedschap: de bekisting. De batting verhuisde van het dak naar de bekistingskist. Een degradatie in status, maar een explosie in gebruik. De industrialisatie van de zagerijen forcede een standaardmaat af. 65 bij 150 millimeter bleek de 'sweet spot'. Het was hanteerbaar voor één man. Tegelijkertijd bood het voldoende weerstand tegen de zijwaartse druk van vloeibare mortel. Waar vroeger de timmerman elke balk handmatig bijwerkte, zorgde de opkomst van de cirkelzaag in de zagerij voor de huidige, ruw bezaagde uniformiteit. Een pragmatische evolutie van constructiehout naar universeel bouwplaatshulpstuk. Simpel. Doeltreffend. Onveranderd in decennia.