Batting

Laatst bijgewerkt: 15-01-2026


Definitie

Een batting is een bezaagde houten balk van naaldhout, doorgaans met een kopmaat van circa 6,5 bij 15 centimeter, die hoofdzakelijk wordt toegepast voor tijdelijke hulpconstructies en bekistingen.

Omschrijving

In de ruwbouw is de batting, in de volksmond vaak badding genoemd, een onmisbaar werkpaard. Deze balken van vurenhout vormen de ruggengraat van bekistingssystemen waarbij ze de enorme zijdelingse druk van vloeibaar beton moeten weerstaan. Hoewel de standaardmaat vaak op 65 x 150 mm wordt gesteld, varieert de praktijkbreedte tussen de 63 en 66 mm met hoogtes die kunnen oplopen tot 23 cm. Het hout is meestal ruw bezaagd; schaven is voor dit type constructiewerk overbodige luxe. Naast de bouwplaats kom je de term ook tegen in de maritieme wereld, waar baddingen als zware wegeringsplanken de binnenzijde van scheepsruimen beschermen tegen zware lading.

Toepassing en uitvoering

De verwerking van battingen begint bij het positioneren van de balken als horizontale gordingen achter de verticale bekistingspanelen. Ze vormen een stijf skelet. De balken vangen de hydrostatische druk op die ontstaat zodra de betonmortel in de bekisting stroomt, waarbij de krachten direct worden doorgegeven aan de achterliggende stempels of soldaten. Men fixeert de battingen meestal met zware draadnagels of specifieke bekistingsklemmen die de componenten strak tegen elkaar trekken. Het ruw bezaagde oppervlak is hierbij functioneel; de natuurlijke stroefheid van het hout voorkomt dat de constructie onder spanning wegglijdt.

Eenvoud is de norm. Na de uitharding van het beton volgt het ontkisten, waarbij de balken handmatig worden losgewrongen van het plaatmateriaal. Men verwijdert onmiddellijk de gebruikte spijkers en schraapt cementresten weg om de batting gereed te maken voor een volgende inzet op de bouwplaats. Bij maritieme toepassingen verloopt de montage permanent. Hier worden de balken met boutverbindingen of klemmen tegen de binnenzijde van de spanten bevestigd om als robuuste stootbuffer voor de scheepshuid te fungeren. Een effectieve barrière tegen zware lading. Hergebruik bepaalt de cyclus.


Dimensionale variaties en maatafwijkingen

De batting is geen eenheidsworst. Hoewel de standaardmaat van 65 x 150 mm de markt domineert, dwingen specifieke constructieve eisen vaak tot afwijkingen. Men spreekt in de praktijk regelmatig over de 'zware badding'. Deze varianten hebben kopmaten van 75 x 175 mm of zelfs 75 x 200 mm. Groter is niet altijd beter, maar voor zware betonbekistingen bij viaducten of industriële wanden is die extra stijfheid cruciaal.

De toleranties zijn ruim. Omdat het hout meestal vers bezaagd en ongeschaafd is, kan de werkelijke maat enkele millimeters afwijken door krimp of de instelling van de zaagbank. Een '65-er' kan in de praktijk zomaar 63 mm dik zijn. Dit is voor tijdelijk werk zelden een probleem. Voor fijnmaziger aftimmerwerk is de batting echter ongeschikt; daarvoor grijpt men naar geschaafd hout of SLS (Scandinavian Lumber Standard), waarbij de hoeken zijn afgerond en de maten exact vastliggen.

Functionele onderscheidingen en verwante termen

Het onderscheid met andere houtproducten vervaagt soms in het bouwplaatsjargon. Toch zijn er duidelijke grenzen.
  • Kepers: Deze zijn smaller en vaak vierkanter, zoals 50 x 70 mm. Ze missen de buigstijfheid van de batting over de hoge zijde.
  • Gordingen: Hoewel een batting als tijdelijke gording fungeert, verwijst de term 'gording' in de kapconstructie meestal naar constructief, gedroogd hout met grotere overspanningen.
  • Slieten: Dit zijn vaak dunnere, minder zware balken of zelfs rondhout, gebruikt voor lichte steunconstructies.
In de weg- en waterbouw kom je de batting tegen als onderdeel van schotten of als tijdelijke damwandversteviging. Hier is de robuustheid leidend. In de maritieme sector verschuift de definitie; daar is de batting geen tijdelijk hulpstuk maar een permanente beschermlaag. Deze wegeringsplanken zijn soms uitgevoerd in grenen of hardhout om de mechanische impact van grijpers en stortgoed in een ruim te weerstaan. De omgeving bepaalt de variant. Ruw vuren voor de betonstort, taaiere naaldhoutsoorten voor het ruim.

Praktijksituaties op de bouwplaats

De batting is een manusje-van-alles. Je ziet hem overal waar brute kracht belangrijker is dan een fraaie afwerking. In de ruwbouw is hij herkenbaar aan zijn robuuste, vaak wat ruwe uitstraling en de typische grijsachtige betonresten van een vorig project.

  • Ondersteuning van breedplaatvloeren: Bij het leggen van een verdiepingsvloer worden baddingen horizontaal onder de naden van de betonplaten geplaatst. Ze rusten op de koppen van de schroefstempels. Hier dragen ze het enorme gewicht van de vloeibare betonmortel totdat de vloer zelfdragend is.
  • De tijdelijke overbrugging: Een diepe leidingsleuf doorkruist de toegang tot de bouwplaats. Drie battingen strak tegen elkaar aan, met een reststuk betonplex eroverheen gespijkerd. Een veilige loopbrug is binnen vijf minuten gerealiseerd. Snelheid telt.
  • Zware wandbekisting: Bij een gestorte kelderwand zie je de battingen als horizontale 'gordingen' aan de buitenzijde van de houten bekisting. Ze vangen de druk op die de betonpomp veroorzaakt. Sterk vurenhout. Geen franje.

Toepassingen in de maritieme sector

In de binnenvaart verandert de batting van een tijdelijk hulpmiddel in een permanente beschermer. Loop over het gangboord en kijk in het ruim van een zandschip. Je ziet daar de zogenaamde wegering. Dikke balken die de stalen scheepshuid afschermen. Wanneer een zware grijper van een overslagkraan het ruim in duikt, fungeert het hout als stootbuffer. De badding vervormt of beschadigt, maar het staal van het schip blijft intact. Functioneel opoffermateriaal. Een tactische barrière tussen lading en constructie.


Normering en constructieve veiligheid

Sterkteklassen en CE-markering

Veiligheid is geen suggestie. Wanneer battingen worden toegepast in een dragende constructie, ongeacht of deze tijdelijk van aard is zoals bij een complexe wandbekisting, dienen deze formeel te voldoen aan de Eurocode 5 (NEN-EN 1995) voor houtconstructies. NEN-EN 338 dicteert hierbij de spelregels voor de sterkteklassen. Voor vurenhout is klasse C18 meestal de ondergrens, terwijl voor zwaarder belaste hulpconstructies vaak C24 wordt geëist. De Europese Verordening Bouwproducten (CPR) verplicht bovendien dat hout dat een permanente structurele functie vervult, voorzien is van een CE-markering.

Bij de 'badding' in de tijdelijke ruwbouw wordt hier in de praktijk soepeler mee omgegaan dan bij een definitieve dakconstructie, maar de aansprakelijkheid bij bezwijken blijft onveranderd groot. NEN-EN 13377 is specifiek relevant voor geprefabriceerde houten bekistingsdragers, al valt de standaard batting daar als ruw product vaak net buiten; de integrale veiligheid van de bekisting als systeem staat echter centraal in de regelgeving.

Arbeidsomstandigheden en tijdelijk gebruik

De Arbowet stelt scherpe eisen aan de inrichting van de bouwplaats. Tijdelijke voorzieningen zoals een loopbrug of een overbrugging van een sleuf, opgebouwd uit battingen, moeten aantoonbaar veilig zijn. Het Arbobesluit artikel 3.16 over het voorkomen van valgevaar is hier leidend. Een batting die fungeert als onderdeel van een werkvloer of randbeveiliging moet voldoende stijfheid bezitten om doorbuiging en bezwijken te voorkomen. Geen natvingerwerk. In de maritieme sector gelden aanvullende regels via de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), waarbij de deugdelijkheid van de wegering in het ruim indirect invloed heeft op de constructieve integriteit van het schip tijdens belading. Sterkte is hier een wettelijke randvoorwaarde voor transportveiligheid.


De evolutie van een werkpaard

De batting, in de wandelgangen steevast badding genoemd, is een overlevende. Zijn etymologische wortels liggen in het Engelse batten, een term die met de opkomst van de grootschalige vurenhoutimport uit Scandinavië in de 19e eeuw de Nederlandse bouwplaatsen bereikte. Destijds was de batting geen hulpstuk. Het was de ruggengraat. Men gebruikte deze balken voor definitieve zoldervloeren en eenvoudige gordingkapconstructies in arbeiderswoningen.

Toen veranderde alles. De opkomst van gewapend beton in de vroege 20e eeuw vroeg om een nieuw soort gereedschap: de bekisting. De batting verhuisde van het dak naar de bekistingskist. Een degradatie in status, maar een explosie in gebruik. De industrialisatie van de zagerijen forcede een standaardmaat af. 65 bij 150 millimeter bleek de 'sweet spot'. Het was hanteerbaar voor één man. Tegelijkertijd bood het voldoende weerstand tegen de zijwaartse druk van vloeibare mortel. Waar vroeger de timmerman elke balk handmatig bijwerkte, zorgde de opkomst van de cirkelzaag in de zagerij voor de huidige, ruw bezaagde uniformiteit. Een pragmatische evolutie van constructiehout naar universeel bouwplaatshulpstuk. Simpel. Doeltreffend. Onveranderd in decennia.


Gebruikte bronnen: