Artikel 19 procedure

Laatst bijgewerkt: 14-01-2026


Definitie

Een inmiddels vervallen juridische procedure uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) die gemeenten toestond om voor specifieke projecten gemotiveerd af te wijken van een geldend bestemmingsplan.

Omschrijving

De Artikel 19 procedure fungeerde jarenlang als de belangrijkste ontsnappingsroute binnen de Nederlandse ruimtelijke ordening. Bestemmingsplannen waren in de praktijk vaak hopeloos verouderd terwijl de bouwbehoefte dwingend was. Ontwikkelaars stuitten constant op starre regels. Deze procedure bood de noodzakelijke flexibiliteit om bouwplannen of functiewijzigingen te realiseren die strijdig waren met de vigerende bestemming, mits er sprake was van een goede ruimtelijke onderbouwing. Het was een zwaar instrument. Gemeenten moesten aantonen dat het project paste binnen het toekomstige beleid. Vaak was er een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten nodig, wat zorgde voor een extra bestuurlijke laag en aanzienlijke vertragingen in de voorbereidingsfase van een bouwproject. De bureaucratie was enorm. Desondanks bleef het de standaardmethode voor bijna elke substantiële gebiedsontwikkeling tot de invoering van de Wabo in 2010.

Uitvoering en methodiek

De uitvoering van een Artikel 19 procedure startte steevast bij de constatering van een onoverbrugbaar conflict tussen een bouwplan en de vigerende plankaart. Een initiatiefnemer diende een formeel verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders. Centraal in dit proces stond de ruimtelijke onderbouwing. Dit document diende aan te tonen dat de gewenste afwijking planologisch aanvaardbaar was en paste binnen de toekomstige visie op het gebied. Het was een juridische anticipatie.

Vervolgens werd het dossier onderworpen aan een externe toetsing. Voor ingrijpende projecten was een verklaring van geen bezwaar van de provincie, specifiek van Gedeputeerde Staten, een harde vereiste. Zonder deze bestuurlijke instemming kon de procedure niet worden doorgezet. De gemeente publiceerde het ontwerpbesluit in lokale bladen. Een periode van tervisielegging volgde. Belanghebbenden kregen de kans om zienswijzen in te dienen tegen het voornemen om af te wijken van het bestemmingsplan. De overheid woog deze reacties.

Na de verwerking van eventuele bezwaren en de definitieve provinciale goedkeuring nam het college het definitieve besluit tot vrijstelling. Deze besluitvorming was de noodzakelijke voorwaarde voor het verlenen van de bouwvergunning. Het traject vormde de administratieve brug tussen de oude planologische restricties en de nieuwe fysieke ontwikkeling op een perceel.


Varianten in zwaarte en reikwijdte

De Artikel 19 procedure was verre van uniform. Drie smaken bepaalden het juridische speelveld: lid 1, lid 2 en lid 3. De Artikel 19 lid 1-procedure fungeerde als het zware geschut. Deze route was gereserveerd voor projecten met een substantiële ruimtelijke impact die de hoofdlijnen van het vigerende bestemmingsplan volledig doorkruisten. Een cruciaal struikelblok was hierbij vaak de verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten. Zonder provinciale zegen was het project juridisch kansloos. Bureaucratie in optima forma.

Voor ontwikkelingen met een meer lokale of beperktere impact bestond de Artikel 19 lid 2-procedure. Gemeenten hanteerden hiervoor vaak een specifieke lijst van gevallen. Dit was de pragmatische middenweg voor projecten die niet in het plan pasten, maar ook geen provinciale bemoeienis behoefden. De Artikel 19 lid 3-procedure vormde de hekkensluiter. Deze was bedoeld voor de zogenaamde kruimelgevallen. Denk aan geringe afwijkingen van bouwmaten of ondergeschikte functiewijzigingen op perceelniveau. Snelheid en eenvoud stonden hier centraal.

Vaak ontstaat er verwarring met de 'ontheffing' uit de Wet ruimtelijke ordening van 2008 of de latere omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan onder de Wabo. Hoewel de doelen nagenoeg identiek waren—ruimte creëren waar de regels die niet boden—verschilde de juridische constructie wezenlijk. De Artikel 19 procedure stoelde op het principe van anticipatie. Men verleende vrijstelling omdat er een nieuw bestemmingsplan in de pen zat. Het was een instrument van vloeibare planologie. Een tijdelijke brug tussen een verstard verleden en een gewenste toekomst.


Praktijkscenario's van de Artikel 19 procedure

Een verouderd bedrijventerrein aan de rand van een stadskern. De machines zwijgen al decennia. Een projectontwikkelaar ziet potentie voor honderd appartementen, maar de plankaart uit 1982 kleurt nog hardnekkig paars voor zware industrie. Hier kwam de Artikel 19 lid 1 procedure om de hoek kijken. Zonder deze juridische ingreep bleef het terrein braak liggen. De provincie moest meebeslissen. Stapels rapporten over geluidscontouren en bodemsanering vulden de dossiers tot aan het plafond. Pas na de verplichte verklaring van geen bezwaar kon de eerste paal de grond in.

Soms was de schaal kleiner maar de impact lokaal groot. Denk aan die dorpssupermarkt die wilde uitbreiden. Groei was noodzakelijk voor het voortbestaan. Het vigerende bestemmingsplan stond echter geen bebouwing toe op de aangrenzende groenstrook. De gemeente wilde de leefbaarheid behouden en zette de Artikel 19 lid 2 procedure in. Geen provinciale bemoeienis, wel een scherpe lokale afweging. De buurt praatte mee tijdens de tervisielegging. Het resultaat was een grotere winkel en een tevreden wethouder. Het proces duurde maanden.

Ook de particulier kreeg ermee te maken. Een dakkapel die net buiten de toegestane maten kleurde of een garage die een meter te hoog was. De Artikel 19 lid 3 procedure loste dit op. Het was de smeerolie van de woningbouw op perceelniveau. Snel en effectief voor de zogenaamde kruimelgevallen. Zonder deze 'lichte' route was elke kleine afwijking een bureaucratisch moeras geworden.


Juridisch kader en de Wet op de Ruimtelijke Ordening

De Artikel 19-procedure vond haar dwingende basis in de inmiddels vervallen Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Het was de juridische ruggengraat voor planologische flexibiliteit in een tijd waarin bestemmingsplannen vaak decennia ongewijzigd bleven. Deze systematiek stoelde volledig op het principe van anticipatie. De gemeente liep juridisch vooruit op een toekomstige planologische situatie. Een noodgreep die regel werd. De wetgever stelde hierbij strikte eisen aan de motivering.

Een cruciaal aspect was de hiërarchische controle binnen het bestuursrecht. Voor de zwaarste varianten was een verklaring van geen bezwaar (vvgb) van Gedeputeerde Staten vereist. Dit was geen vrijblijvend advies. Het was een harde juridische voorwaarde voor de rechtsgeldigheid van het uiteindelijke vrijstellingsbesluit. Zonder deze provinciale instemming was elk genomen besluit vernietigbaar voor de Raad van State. De rechtszekerheid van omwonenden werd gewaarborgd door de verplichte tervisielegging en de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Procederen was eerder regel dan uitzondering.

WetgevingInstrumentStatus
WRO (oud)Artikel 19 vrijstellingVervallen
Wro (2008)Ontheffing / ProjectbesluitVervallen
Wabo (2010)Omgevingsvergunning strijdig gebruikVervallen
Omgevingswet (2024)BOPA (Buitenplanse omgevingsplanactiviteit)Vigerend

Sinds de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 en de daaropvolgende Wabo in 2010 is de Artikel 19-procedure juridische geschiedenis. Toch blijft de term in de bouwpraktijk hardnekkig circuleren bij de herontwikkeling van locaties waar nog oude rechten of plichten uit die tijd rusten. Vandaag de dag is de Omgevingswet het vigerende kader. De BOPA heeft de fakkel overgenomen. De geest van Artikel 19 leeft voort in de constante zoektocht naar ruimte buiten de gebaande paden van het omgevingsplan. Het instrumentarium is gemoderniseerd, maar de onderliggende noodzaak voor afwijking blijft inherent aan de dynamiek van de gebouwde omgeving.


De opkomst van een planologisch noodventiel

De oorsprong in 1965

De Artikel 19 procedure vindt haar oorsprong in de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van 1965. Oorspronkelijk was het instrument bedoeld als een bescheiden ontsnappingsclausule. De wetgever realiseerde zich dat een bestemmingsplan nooit alle toekomstige ontwikkelingen kon voorzien. Het was een noodventiel. Bedoeld voor incidentele gevallen waarbij een dwingend maatschappelijk belang zwaarder woog dan de vigerende bestemming.

Echter, de praktijk haalde de theorie in. In de jaren '70 en '80 bleken veel gemeentelijke bestemmingsplannen hopeloos verouderd. Het actualiseren van een plan was een tijdrovend en kostbaar proces. Gemeenten kozen massaal voor de weg van de minste weerstand: het verlenen van vrijstellingen via Artikel 19 in plaats van het herzien van de plankaarten. De uitzondering werd de norm. Een wildgroei aan ad-hoc besluiten was het gevolg.

De omslag van 2000 en de bureaucratische verstopping

Om de chaos te beteugelen en de rechtszekerheid te herstellen, volgde in 2000 een ingrijpende wetswijziging. Hier ontstond de bekende driedeling in zwaarte (lid 1, 2 en 3). De wetgever dwong gemeenten hiermee om kleur te bekennen: was een project een ingrijpende wijziging of slechts een kruimelgeval? De provincie kreeg met de verklaring van geen bezwaar een stevige vinger in de pap. Dit leidde tot de beruchte 'vloeibare planologie'. Projecten werden gerealiseerd op basis van een 'goede ruimtelijke onderbouwing' die vaak dikker was dan het bestemmingsplan zelf. De druk op de ambtelijke apparaten nam excessief toe.

Uiteindelijk bezweek het systeem onder zijn eigen complexiteit. De proceduretijden liepen op tot jaren. In 2008, met de komst van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro), begon de uitfasering. De Artikel 19 procedure werd simpelweg te log voor een moderne bouwsector die vroeg om snelheid en integratie. Hoewel de procedure in 2010 formeel werd vervangen door de Wabo, klinkt de term nog steeds na in de dossiers van herontwikkelingen die destijds met dit instrument zijn vlotgetrokken.


Gebruikte bronnen: