In de praktijk vraagt Art Nouveau om een verregaande samenwerking tussen architect, ijzersmid en metselaar. Smeedijzeren profielen worden in de werkplaats verhit en handmatig in complexe, vloeiende curven gebogen. Deze elementen vervullen vaak een dubbelrol; ze dienen als dragende console of balkonsteun terwijl de vormgeving tegelijkertijd het decoratieve motief vormt. Constructieve staal- en ijzeronderdelen blijven in het zicht. Klinknagels en verbindingen worden niet weggewerkt maar juist geaccentueerd als onderdeel van de compositie.
Metselwerk wordt zelden monotoon uitgevoerd. Men past diverse formaten baksteen toe, vaak gecombineerd met verglazuurde stenen in contrasterende kleuren om lijnen in de gevel te trekken. Natuursteen wordt plastisch bewerkt. Het beeldhouwwerk is diep en organisch. Kozijnen en deuren wijken af van standaardmaten en -vormen; het houtwerk volgt de golvende lijnen van de gevelopeningen, wat vraagt om nauwkeurige passing van zowel het raamhout als de bijbehorende glaspanelen. Gebogen glas is hierbij geen uitzondering. De overgang tussen verschillende materialen, zoals de aansluiting van een ijzeren spant op een stenen kraagsteen, gebeurt vloeiend. Geen abrupte breuken. Tegeltableaus en mozaïeken worden direct in de mortel van de gevelvlakken ingebed om kleurvlakken te creëren die de architectonische lijnen ondersteunen.
Art Nouveau is geen monolithisch blok. De naamgeving varieert sterk per land, waarbij elke regio eigen accenten legde in de detaillering en vormentaal. In Duitsland, Scandinavië en grote delen van Centraal-Europa spreekt men consequent van Jugendstil, vernoemd naar het tijdschrift 'Die Jugend'. Hoewel de termen vaak door elkaar worden gebruikt, neigt de Jugendstil in de praktijk vaker naar een iets strakkere, soms meer grafische benadering dan de zwierige Franse variant.
Oostenrijk kent de Wiener Secession. Hier zochten architecten als Otto Wagner naar een rationalisatie van de stijl. In Italië spreekt men van Stile Liberty, terwijl Spanje — en dan specifiek Catalonië — de term Modernismo hanteert. De verschillen zijn zichtbaar in de gevels. Waar de Brusselse Art Nouveau van Victor Horta drijft op ijle, zwepende metaalconstructies, is de Catalaanse variant van Gaudí veel zwaarder, sculpturaal en diep geworteld in gotische en moorse motieven.
Binnen de stroomvloed aan ontwerpen vallen twee hoofdtendensen op: het florale en het geometrische. De florale variant is de meest herkenbare. Hier domineren de vloeiende lijnen, ontleend aan lianen, bloemstengels en insectenvleugels. Het is de droom van de natuur in staal en steen. Daartegenover staat de geometrische Art Nouveau, sterk beïnvloed door de Glasgow School van Charles Rennie Mackintosh. De cirkel. Het vierkant. Rechte verticale lijnen die eindigen in een klein, gestileerd roosje. In Nederland vond deze strakkere benadering navolging in de Nieuwe Kunst. Deze Nederlandse variant is vaak soberder, met meer respect voor het vlakke karakter van de muur en een focus op eerlijk materiaalgebruik, wat een voorbode was voor het latere modernisme.
Art Nouveau is de zwierige plant; Art Deco is de geslepen diamant.
De verwarring met de latere Art Deco komt vaak voor, maar de verschillen zijn fundamenteel. Art Nouveau is asymmetrisch en kijkt naar de organische wereld. Het is ambachtelijk en vloeibaar. Art Deco, die na de Eerste Wereldoorlog de overhand kreeg, viert juist de machine, de snelheid en de geometrie. Waar een raam in de Art Nouveau een hoefijzervorm kan aannemen, zal een Art Deco-venster eerder trapsgewijs of strikt rechthoekig zijn uitgevoerd. De zweepslaglijn maakt plaats voor de zigzag. De natuurlijke chaos wordt getemd in spiegelsymmetrie.
Kijk naar de gevel van een laat-negentiende-eeuws winkelpand in een historische binnenstad. Je ziet geen strakke, rechte hoeken in het etalageglas. Het glas buigt juist vloeiend mee met het houten of ijzeren kozijn. Boven de entree hangt vaak een luifel van smeedijzer en glas, waarbij de ijzeren sprieten als een stalen klimop tegen de muur op kruipen en de constructie dragen. Het is geen versiering achteraf; de vorm is de functie.
In het interieur van een herenhuis uit 1905 vind je vaak een trappenhuis waar de leuning een eigen leven leidt. De houten spijlen vloeien bij de onderste trede over in een complexe smeedijzeren krul. De wanden zijn bekleed met tegeltableaus. Geen simpele witte tegels, maar afbeeldingen van gestileerde irissen of zwanen in zachte pasteltinten, direct meegevoegd in het stucwerk. Zelfs de kleinste details, zoals de deurklinken van de kamer-en-suite, zijn asymmetrisch gegoten in messing. Ze vormen zich letterlijk naar de hand van de gebruiker.
Langs de daklijn zie je de typische zweepslaglijn terugkomen in de gootbeugels. De consoles zijn van gietijzer en hebben de vorm van een ontluikende varen. In de boogtrommels boven de vensters zijn patronen van verglazuurde baksteen aangebracht. Gele en diepgroene stenen vormen daar een lijnenspel dat de verticale structuur van het pand benadrukt. Het is architectuur die organisch aanvoelt. Alsof het gebouw uit de grond is opgeschoten in plaats van steen voor steen gestapeld.
Art Nouveau-panden zijn door hun zeldzaamheid en specifieke esthetiek bijna zonder uitzondering aangewezen als beschermd monument. Dit betekent dat de Erfgoedwet direct van kracht is. De wet verbiedt het ontsieren of beschadigen van het object. Elke fysieke ingreep, hoe klein ook, vereist een omgevingsvergunning voor de activiteit monumenten. Hier botst de wens voor modernisering vaak met de instandhoudingsplicht. Een houten kozijn met een complexe welving mag niet zomaar vervangen worden door een standaardprofiel, ook niet als de thermische eigenschappen verbeteren. De intrinsieke waarde zit in het ontwerp.
Bij herbestemming of grootschalige renovatie geldt het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Voor monumenten hanteert men het rechtens verkregen niveau, maar de veiligheidseisen voor branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) blijven kritiek. De fragiele glas-en-ijzerconstructies van Art Nouveau-puien voldoen zelden aan moderne brandeisen. Hier moet de constructeur creatief zijn. Brandvertragende coatings op monumentaal smeedijzer of het plaatsen van onzichtbare sprinklersystemen zijn vaak de enige manieren om aan de regelgeving te voldoen zonder het uiterlijk aan te tasten.
Voor de technische uitvoering zijn de richtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) de leidraad. Geen vrijblijvende adviezen. Overheden eisen vaak dat werkzaamheden worden uitgevoerd conform specifieke uitvoeringsrichtlijnen (URL's). Denk aan URL 4002 voor historisch metaalwerk of URL 4003 voor de behandeling van glas-in-lood en gebogen glaspaneelconstructies. Deze normen waarborgen dat de specifieke materiaalcombinaties van rond 1900, zoals de interactie tussen kalkmortel en geglazuurde gevelstenen, op de juiste wijze worden hersteld zonder chemische incompatibiliteit.
De architectuur aan het eind van de negentiende eeuw zat muurvast in historisme. Men bouwde banken als Griekse tempels en postkantoren als gotische kathedralen. Een doodlopende weg. Rond 1890 ontstond de behoefte aan een vormentaal die de nieuwe industriële mogelijkheden niet langer maskeerde, maar juist vierde. De industrialisatie was de katalysator. Gietijzer, staal en gewalst glas kwamen op grote schaal beschikbaar voor de burgerlijke woningbouw en commerciële panden.
Het startpunt ligt vaak bij de Brusselse architect Victor Horta. Met het Hôtel Tassel in 1893 bewees hij dat een ijzeren draagconstructie de esthetiek van een interieur kon bepalen. Geen verhulling. Geen stucwerk dat marmer nabootste. In plaats daarvan mocht de ijzeren kolom zichtbaar blijven en zich vertakken als een boom. Deze technische eerlijkheid verspreidde zich razendsnel via internationale tentoonstellingen, met de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs als absoluut hoogtepunt. De stijl was modern. Technisch uitdagend. En peperduur door de complexe aansluitingen tussen verschillende materialen.
De ontwikkeling verschoof van puur handwerk naar een vroege vorm van industriële prefabricage. Catalogussen boden gestandaardiseerde Art Nouveau-gevelornamenten aan, waardoor de stijl ook voor de middenklasse bereikbaar werd. Toch bleef de constructieve kern vaak ambachtelijk. In Nederland vertaalde dit zich rond de eeuwwisseling naar de Nieuwe Kunst, waarbij de nadruk verschoof naar constructieve logica en eerlijk materiaalgebruik, onder invloed van architecten als Berlage. De Eerste Wereldoorlog markeerde het abrupte einde. De wereld veranderde. Grondstoffen werden schaars. De arbeidsintensieve, vloeiende vormen pasten niet langer in een tijdperk dat vroeg om standaardisatie en wederopbouw. De machine nam het over van de ambachtsman.
Joostdevree | En.wikipedia | Hendrickdekeyser | Canonvannederland | Nieuws.top010 | Wikiart