Beitelwerk bepaalt de uiteindelijke curve. De vervaardiging van de apophysis vindt doorgaans plaats tijdens de laatste afwerkingsfase van de zuilschacht, waarbij de vakman de uiterste grenzen van de holling op het ruwe blok markeert. Daarna wordt de massa tussen de verticale schachtwand en de uitdijende rand naar de astragaal toe behoedzaam weggehaald. Precisie is hierbij essentieel. Een fractie teveel materiaal wegnemen verstoort de optische continuïteit van de gehele zuil. Bij zuilen van stucwerk of gips verloopt de realisatie via het trekken van een geprofileerde mal langs een verticale geleider of een draaiende as. De overgang moet vloeien. Er ontstaat een ononderbroken beweging die de opwaartse lijn van de cannelures verbindt met de horizontale rust van het kapiteel. Geen abrupte stops. De kromming volgt vaak een specifieke geometrische ratio, direct afgeleid van de zuildiameter ter hoogte van de imoscapus. In de praktijk wordt dit profiel dikwijls als integraal onderdeel van de schachtsteen uitgevoerd om de kwetsbaarheid van de dunne, uitstekende randen te minimaliseren. Het resultaat is een spel van licht en schaduw dat de overgang verzacht.
De terminologie rondom dit overgangsprofiel is niet eenduidig. Men spreekt vaak over de apophyge. Dat is de Griekse stam. In de Nederlandse bouwpraktijk hanteert men vaker de term 'afloop' voor de bovenzijde van de schacht. Er bestaat echter een spiegelbeeld. De aanloop. Deze bevindt zich aan de basis van de zuil, vlak boven de plint of het voetstuk, en wordt technisch aangeduid als de hypophyge. Dezelfde curve, andere plek. Een visuele echo van de top.
Varianten in kromming komen vaak voor. Soms is de apophysis een strikte kwartcirkel. Soms een meer afgeplatte parabool. Bij de Dorische orde is de overgang vaak soberder uitgevoerd dan bij de weelderige Korinthische varianten waar de aansluiting op de astragaal – de hielring – veel prominenter aanwezig is. Het materiaal dicteert de scherpte. Natuursteen staat messcherpe hoeken toe. Gips vraagt om zachtere overgangen. Het profiel kan ook variëren per stijlperiode; de renaissance hanteerde vaak andere geometrische verhoudingen dan de strenge Griekse oudheid. Soms is de holling zo flauw dat deze nauwelijks opvalt. Andere keren is het een diepe schaduwwerper. Het blijft een kwestie van decoratieve nuance.
Stel je een restauratie voor van een zandstenen zuilengalerij. De steenhouwer staat oog in oog met het kapiteel. Hij ziet dat de strakke lijn van de schacht niet zomaar stopt. De steen buigt vloeiend weg. Dit is de apophysis in actie. In het volle zonlicht werpt die kleine holling een zachte schaduwband rond de top van de zuil. Het breekt de harde overgang. Een klein maar essentieel detail voor de optische balans van het hele gebouw.
Bij de afwerking van een gipsen interieurzuil gaat het er technischer aan toe. De vakman gebruikt een zinken sjabloon. Hij trekt de mal secuur over de natte mortel. De holle vorm van de apophysis ontstaat direct in de specie. Een organische verbinding. Geen losse onderdelen die toevallig op elkaar gestapeld lijken. Het oogt als één geheel. In een sobere Dorische setting is deze 'afloop' vaak nauwelijks aanwezig. Bijna onzichtbaar voor de leek. Maar bij een Korinthische zuil vormt het de onmisbare aanzet voor de astragaal. Het is de visuele adempauze voordat het ornamentale geweld erboven losbarst.
De Erfgoedwet is bepalend. Bij ingrepen aan beschermde monumenten is het handhaven van de oorspronkelijke profilering geen suggestie maar een verplichting. Restauratierichtlijnen van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) bieden het noodzakelijke technische kader. Specifiek de URL 2001 voor historisch natuursteenwerk geeft voorschriften voor het bewerken en kopiëren van profileringen zoals de apophysis. Een afwijking in de straal van de holling kan leiden tot afkeuring door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Precisie telt. Behoud gaat voor vernieuwing.
In de hedendaagse bouwpraktijk is de regelgeving minder specifiek over de exacte vorm, maar des te strenger op de uitvoering en veiligheid. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt algemene eisen aan de stabiliteit en duurzaamheid van gevelonderdelen. Geen loshangende ornamenten. Voor prefab elementen van beton of composiet gelden Europese CE-markeringen en bijbehorende productnormen die de materiaalkwaliteit garanderen. De lokale welstandscommissie toetst vaak of klassieke detaillering past binnen de architectonische visie van de omgeving. Vooral in beschermde stadsgezichten. Het profiel moet bovendien technisch correct zijn gedetailleerd om vochtophoping tussen de schacht en het kapiteel te vermijden, wat indirect raakt aan de zorgplicht voor de constructieve integriteit van het bouwwerk.
Griekse bouwmeesters zagen het probleem direct. Een verticale lijn die bruusk stopt tegen een horizontaal blok. Het wringt optisch. Dus ontstond de holling. In de archaïsche periode was de uitvoering nog rigide, bijna lomp uit het marmer gehakt, maar de techniek verfijnde snel. Bij de Parthenon-zuilen bereikte de afloop zijn esthetische hoogtepunt. Het is daar geen decoratieve toevoeging. Het is de steen zelf die lijkt te bezwijken onder de last, maar met gratie. De Romeinen introduceerden vervolgens schaalvergroting en standaardisatie. Zij prefereerden de technische scheiding van bouwdelen, waarbij de apophysis vaker als beëindiging van de bovenste schachttrommel werd uitgevoerd.
De Renaissance bracht de wiskunde terug in de steenhouwerij. Architecten zoals Vignola en Palladio vingen de vluchtige curve in strakke traktaten. De apophysis werd een fractie van de modulus. Geen nattevingerwerk meer. De discussie verschoof naar de ideale meetkundige vorm; was een cirkelsegment voldoende of vereiste de optische correctie een hyperbool? Die theoretische strengheid dicteerde de gevels van Europese paleizen tot diep in de negentiende eeuw. Met de opkomst van gietijzer en later beton veranderde de ambachtelijke beitel in een mal. De overgang werd een serieproduct. De technische noodzaak van de holling als verjonging van de schacht bleef, maar de ziel verschoof van de hand van de meester naar de precisie van het sjabloon.