Altaarhek

Laatst bijgewerkt: 14-01-2026


Definitie

Een lage afscheiding die het sanctuarium, de plek waar het altaar staat, scheidt van de rest van het kerkgebouw.

Omschrijving

Het altaarhek markeert de grens tussen de gewijde ruimte van het priesterkoor en het schip van de kerk waar de gelovigen samenkomen. Deze constructie dient primair om de liturgische ruimte af te bakenen en onbevoegde toegang te voorkomen. In de praktijk fungeert het hek vaak als doorgangspunt tussen de communiebanken. De term 'altaartuin' wordt in Vlaamse context regelmatig gebruikt om deze omsloten, heilige zone te duiden. Het ontwerp sluit meestal naadloos aan bij de overige ornamentiek van het kerkinterieur.

Constructieve uitvoering en integratie

De fysieke realisatie van een altaarhek vindt doorgaans plaats op de overgang tussen de naven en het priesterkoor. Men verankert de dragende stijlen of balusters direct in de vloerconstructie. Meestal natuursteen. Soms hout. Boringen in de vloerplaten zorgen voor de nodige stabiliteit, waarbij de stijlen vaak met lood of tweecomponentenmortel worden vastgezet. Een solide basis is essentieel. Het hekwerk volgt nauwgezet de contouren van het sanctuarium. Een rechte lijn of een complexe curvatuur die de vorm van de apsis spiegelt.

De opbouw bestaat uit horizontale regels die de verticale spijlen verbinden tot een stijf raamwerk. In de praktijk sluit de constructie vaak direct aan op de omliggende communiebanken. Centraal in de as van de kerk wordt een doorgang vrijgehouden voor liturgische processies. Hier bevinden zich de scharnierpunten voor draaibare vleugels of ophangpunten voor afsluitbare koperen kettingen. Montage geschiedt met blinde verbindingen. Geen opzichtige bouten. De hoogte wordt zodanig gekozen dat het zichtveld van de gelovigen behouden blijft, terwijl de stijfheid van het geheel voldoende is om de druk van de menigte tijdens de communie op te vangen.


Typologische verschillen en liturgische varianten

Het altaarhek kent diverse verschijningsvormen die nauw samenhangen met de architecturale stroming van het kerkgebouw. In de basis onderscheiden we de open spijlenhekken van de meer gesloten balustrades. Smeedijzeren varianten, vaak rijk gedecoreerd met bladmotieven of religieuze symbolen, bieden een transparante afscheiding. Dit in scherp contrast met de massieve natuurstenen of marmeren varianten die men veelal in barokke interieurs aantreft. De materiaalkeuze dicteert hierbij de uitstraling; waar eikenhout een zekere warmte en soberheid uitstraalt, suggereert gepolijst marmer onvergankelijkheid en rijkdom.

De communiebank als specifieke variant

Vaak wordt het altaarhek in één adem genoemd met de communiebank. Toch is er een wezenlijk functioneel verschil. Een communiebank is specifiek ontworpen met een verbrede bovenregel en een verlaagde kniesteun. De gelovige knielt hieraan om de hostie te ontvangen. Niet elk altaarhek is een communiebank. Een puur altaarhek fungeert enkel als barrière. Bij een communiebank is de ergonomie van het knielen leidend voor de maatvoering. De hoogte varieert meestal tussen de 60 en 85 centimeter. Net hoog genoeg voor een stabiele steun.

Onderscheid met het koorhek

Verwarring met het koorhek ligt op de loer. Het onderscheid is echter cruciaal. Een koorhek, ook wel doksaal genoemd in zijn meest uitgebreide vorm, is een monumentale, vaak metershoge constructie. Het scheidt het schip fysiek en visueel af van het priesterkoor. Het altaarhek is de bescheiden opvolger of de kleinschalige variant hiervan. Waar het koorhek de liturgie bijna aan het zicht onttrok, behoudt het lage altaarhek de zichtlijn. In moderne kerkarchitectuur ziet men vaak een minimale uitvoering. Een eenvoudige koperen stang. Of een reeks losse paaltjes met koorden. De functie blijft identiek: markering van het sacrale.


Praktijkvoorbeelden en situaties

Stel je een negentiende-eeuwse kruiskerk voor waar het zonlicht schuin door de gebrandschilderde ramen naar binnen valt. Daar zie je het altaarhek als een transparante wand van smeedijzer. Vaak zwart gelakt. Voorzien van subtiele, vergulde details zoals druiventrossen of korenaren. Het scheidt de fysieke ruimte zonder het zicht te blokkeren. Je ziet de koster voor de mis de koperen sluitingen poetsen met een zachte doek. Een klein tikje tegen het metaal geeft een heldere, ijle klank. In de dagelijkse praktijk is dit het punt waar de misdienaar even inhoudt. Een korte buiging. Dan pas het sanctuarium in.

In een monumentale barokkerk is het een ander verhaal. Hier zie je geen spijlen, maar een zwaar marmeren hekwerk. Het fungeert als een statige balustrade die de dynamiek van het hoofdaltaar omlijst. De dikke, buikige balusters staan zo dicht op elkaar dat een kind er niet tussendoor kan glippen. Het voelt massief aan. Onverwoestbaar bijna. De bovenkant is spiegelglad gepolijst door decennia van aanrakingen en liturgische handelingen. Het marmer is koud onder de handpalm.

Soms tref je een hybride vorm aan. Een eikenhouten hekwerk dat met een eenvoudige pen-en-gatverbinding is verankerd in de vloerplaten. Bij grote processies of begrafenissen worden de centrale delen volledig weggehaald. Dan ontstaat er ruimte voor de vaandels of de baar. Je ziet dit vaak in kleinere dorpskerken waar de ruimte beperkt is. Het hek markeert daar de grens tussen de drukte van het schip en de sacrale stilte van het koor. Een drempel van hout en traditie.


Wet- en regelgeving

Regels zijn er altijd. Zelfs voor een hek in de kerk. De Erfgoedwet is hierin de absolute hoofdrolspeler bij historische kerkgebouwen. Is de kerk een rijksmonument? Dan is het interieur, inclusief het altaarhek, onlosmakelijk verbonden met de beschermde status van het gebouw. Slopen mag niet zomaar. Ook niet als de liturgie verandert. Een omgevingsvergunning voor een monumentenactiviteit is in dergelijke gevallen een strikte vereiste. Vaak botst de wens voor een opener koor met de behoudszucht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kijkt mee over de schouder van de architect bij elke ingreep.

Wat betreft de technische veiligheid kijken we naar het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Normaal gesproken eist de wet een hoogte van minimaal 1 meter bij een valrisico groter dan 1 meter. Het altaarhek lapt deze regel meestal aan zijn laars. Het wordt doorgaans beschouwd als liturgisch meubilair. Geen officiële vloerafscheiding in de zin van de bouwregelgeving. Tenzij het koor een aanzienlijk hoogteverschil heeft met het schip. Dan telt de veiligheid zwaarder dan de traditie. NEN-normen voor balustrades worden dan plotseling relevant. Een lastige spagaat tussen esthetiek en handhaving.

De kerkelijke wetgeving weegt eveneens zwaar in de praktijk. Het Tweede Vaticaans Concilie en de daaruit voortvloeiende Sacrosanctum Concilium veranderden de interne richtlijnen voor de inrichting van het sanctuarium. De strikte scheiding tussen priester en volk moest vervagen. Veel altaarhekken en communiebanken werden in die periode verwijderd of verplaatst. Toch blijft het Canoniek recht een leidraad voor de inrichting van de liturgische ruimte. De lokale bisschop heeft vaak het laatste woord over de inrichting. Wetten van de staat en wetten van de kerk ontmoeten elkaar hier bij de smeedijzeren spijlen.


Historische ontwikkeling van de sacrale grens

Het begon met de cancelli in de vroegchristelijke kerk. Eenvoudige, lage schotten van marmer of hout die de heilige ruimte puur functioneel markeerden. In de middeleeuwen sloeg de kerkelijke architectuur een andere weg in. De scheiding tussen clerus en leken werd een monumentale barrière. Het koorhek en het doksaal onttrokken de handelingen aan het altaar bijna volledig aan het gezichtsveld van de gelovigen. Een fysieke muur van steen of houtsnijwerk.

De contrareformatie bracht de definitieve omslag naar de huidige vorm. De Kerk van Rome wilde het liturgische mysterie weer zichtbaar maken voor de massa. De drempel moest omlaag. Maar de eerbied voor het sacrament vereiste een nieuwe, tastbare grens. Zo ontstond de barokke balustrade. Lage, zware constructies die de gelovige letterlijk uitnodigden om te knielen voor het ontvangen van de hostie. De communiebank werd de standaard. Massief. Onverzettelijk. Vaak uitgevoerd in kostbaar marmer om de rijkdom van het geloof te onderstrepen.

De meest ingrijpende breuk vond plaats na 1962. Het Tweede Vaticaans Concilie. De focus verschoof naar actieve deelname van het volk. Barrières moesten wijken. De zogenaamde 'altaartuin' werd opengesteld. In een golf van modernisering sneuvelden talloze historische hekken door de sloophamer of de lasbrander. Een ontwikkeling die pas decennia later door erfgoedinstanties werd geparkeerd. Nu is het altaarhek vaak een relict. Een technisch spoor van een tijd waarin de grens tussen hemel en aarde nog van gesmeed ijzer was.


Gebruikte bronnen:

Categorieën:

Installaties en Energie

Bronnen:

Joostdevree