Activiteitenindex

Laatst bijgewerkt: 14-01-2026


Definitie

De activiteitenindex is de procentuele verhouding tussen de druksterkte van een mortel waarin een deel van het cement is vervangen door een reactieve vulstof en de druksterkte van een referentiemortel met uitsluitend cement.

Omschrijving

In de betontechnologie fungeert de activiteitenindex als een cruciale parameter voor de beoordeling van puzzolane of hydraulische vulstoffen. Het getal laat zien in hoeverre een vervanger, zoals poederkoolvliegas of silica fume, daadwerkelijk bijdraagt aan de matrixvorming van de mortel. Men test dit door gestandaardiseerde prisma's te gieten en deze na vaste perioden te beproeven op druksterkte conform NEN-EN 196-1. Hoewel de index een scherp beeld geeft van de chemische potentie op mortelniveau, mag deze waarde niet direct worden verward met de druksterkte van het uiteindelijke betonmengsel op de bouwplaats. De index is vooral een kwaliteitsstempel voor de leverancier en een basiswaarde voor de betontechnoloog om de k-factor te kunnen bepalen. Zonder deze waarde tasten constructeurs in het duister over de werkelijke bindmiddelbijdrage van alternatieve grondstoffen.

Bepaling en uitvoering

Uitvoering en beproevingsmethode

Het proces start bij de menger. Twee batches zijn nodig voor een zuivere vergelijking. De ene mortel bestaat uit louter referentiecement, terwijl in de tweede partij een vastgesteld gewichtspercentage van dat cement is vervangen door de reactieve vulstof. Denk aan poederkoolvliegas of silica fume. De specie gaat in stalen mallen. Hieruit ontstaan prisma’s van exact 40 x 40 x 160 millimeter.

Conditionering is essentieel. De proefstukken verblijven in een klimaatkast of onder water bij een constante temperatuur van 20 graden Celsius om voortijdige uitdroging te voorkomen. De klok tikt. Na vaste periodes, meestal 28 of 90 dagen, vindt de destructieve beproeving plaats op een drukbank. De machine perst de blokjes tot ze bezwijken. Men registreert de maximale last. Door de gemiddelde druksterkte van de testmortel te delen door die van de referentiemortel, komt de activiteitenindex tot stand. Een ratio uitgedrukt in procenten. Het is een technisch traject waarbij elke afwijking in temperatuur de uitkomst direct vertroebelt.


Varianten naar materiaalgroep

Materiaalspecifieke indexcijfers

Niet elke vulstof reageert hetzelfde. De activiteitenindex wordt daarom strikt gecategoriseerd naar het type materiaal dat men onderzoekt. Bij poederkoolvliegas (conform NEN-EN 450-1) is de index de standaardmaatstaf voor puzzolane activiteit. Hierbij kijkt men kritisch naar de bijdrage op de lange termijn. Silicastof (silica fume) kent een eigen regime onder NEN-EN 13263-1. Vanwege de extreme fijnheid en hoge reactiviteit van silica liggen de indexwaarden hier vaak significant hoger dan bij vliegas. Het is een ander beestje. Dan is er nog metakaolien of gecalcineerde klei. Elk materiaal heeft een eigen referentiekader. Een index van 75% voor vliegas betekent iets heel anders voor de duurzaamheid dan een vergelijkbare waarde voor een trage hydraulische toeslag.


Tijdsafhankelijke gradaties

De factor tijd: 28 versus 90 dagen

Tijd is de grote scheidsrechter in de betonchemie. In de praktijk onderscheiden we de 28-daagse en de 90-daagse activiteitenindex. De 28-daagse test is de standaard. Het geeft een snelle indicatie. Maar voor materialen met een trage reactie, zoals bepaalde vliegassen, is die vroege meting vaak onvoldoende representatief voor de uiteindelijke sterkteontwikkeling. De puzzolane reactie komt immers pas goed op gang wanneer er voldoende calciumhydroxide is vrijgekomen bij de hydratatie van de portlandcementklinker. Daarom hanteert de industrie de 90-daagse index als de definitieve graadmeter voor de werkelijke potentie. Het is een kwestie van geduld. Soms is een materiaal na vier weken nog een 'luie' vuller, om na drie maanden alsnog een krachtig bindmiddel te blijken.


Onderscheid met de k-waarde

Index versus k-factor

Pas op voor begripsverwarring. De activiteitenindex is een laboratoriumwaarde, een percentage verkregen uit gestandaardiseerde mortelprisma's. Het is een intrinsieke materiaaleigenschap onder ideale omstandigheden. De k-factor (efficiëntiefactor) is echter het instrument van de betontechnoloog in de mengselberekening. De k-factor vertaalt die index naar de praktijk van het betonrecept. Waar de index simpelweg een ratio is, bepaalt de k-factor hoeveel kilogram cement je daadwerkelijk mag vervangen door een kilogram vulstof in je water-cementfactorberekening. De index is de basis; de k-factor is de toepassing. Wie deze twee verwisselt, maakt kapitale fouten in de sterkteklasse-berekening van de constructie.


Praktijkscenario's en toepassingen

In de dagelijkse praktijk van een betoncentrale draait alles om batchcontrole. Een vrachtwagen lost een nieuwe lading vliegas. Het laboratorium gaat direct aan de slag. Ze gieten de gestandaardiseerde blokjes van 40 bij 40 millimeter. De vraag hangt in de lucht: haalt deze specifieke partij de vereiste 75% bij 90 dagen? Zonder die bevestiging mag de betontechnoloog de k-factor niet zomaar handhaven in zijn berekeningen. Een te lage index betekent direct een aanpassing in de receptuur. Het is een keuze tussen meer cement toevoegen of genoegen nemen met een lagere sterkteklasse. Silicastof gedraagt zich fundamenteel anders dan vliegas. Het is een agressieve reactie. Bij de beproeving van een mengsel voor een zwaarbelaste brugpijler zie je dat de prisma's met silica fume soms sterker uit de bus komen dan de pure cementvariant. De index knalt door de honderd procent grens. Dat typeert de vulstof. Het is geen passieve vuller meer, maar een actieve speler in de chemie van de matrix. De technoloog ziet dit direct terug op het scherm van de drukbank. Stel je een vergelijking voor tussen twee series mortelprisma's. De ene serie is witachtig grijs, de andere oogt donkerder door de toevoeging van poederkoolvliegas. Na vier weken in de klimaatkast gaat de referentiemortel op de drukbank; deze bezwijkt bij exact 50 N/mm². De vliegasmortel houdt het vol tot 38 N/mm². De rekensom is snel gemaakt. 38 gedeeld door 50 levert een activiteitenindex op van 76%. Hiermee is de vulstof officieel gekwalificeerd voor gebruik in constructief beton. De resultaten van de 90-daagse meting zullen later uitwijzen of de index nog verder oploopt, wat cruciaal is voor projecten met een lange levensduur.

Normering en wettelijke kaders

Kwaliteitsborging via Europese normen

Normen bepalen de grens. Zonder getal geen garantie. Voor poederkoolvliegas dicteert de Europese norm NEN-EN 450-1 de harde spelregels voor de activiteitenindex. Het is de drempelwaarde voor acceptatie. De wetgever verlangt dat bouwmaterialen veilig en voorspelbaar presteren, wat via het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) indirect terugslaat op de toegepaste normen in de betonindustrie. Bij silicastof geldt NEN-EN 13263-1 als leidraad. De index is daar geen vrijblijvende suggestie maar een dwingende eis voor het verkrijgen van een CE-markering.

Beproeven gebeurt strikt volgens NEN-EN 196-1. Waarom? Omdat uniformiteit in de druksterktemeting essentieel is om appels met appels te kunnen vergelijken in een markt waar grondstoffen grensoverschrijdend worden verhandeld. De normering stelt heldere grenzen; vliegas moet na 28 dagen vaak een index van minstens 75% halen, terwijl na 90 dagen de 85% aangetikt dient te worden. Haalt een partij dat niet? Dan degradeert de vulstof juridisch en technisch gezien tot een inerte vulstof. Een dure zandvervanger zonder enige constructieve meerwaarde in de k-factor berekening. NEN-EN 206 en de Nederlandse aanvulling NEN 8005 vormen hierbij de overkoepelende kaders waarin het gebruik van deze indexwaarden is vastgelegd voor de uiteindelijke betonmortelproductie en de certificering door instanties zoals Kiwa of KOMO.


Ontstaan uit industriële noodzaak

Vroeger was cement de onbetwiste koning. Portlandcement vormde de enige basis voor sterkte. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het speelveld door de enorme vlucht van de zware industrie. Kolencentrales produceerden bergen poederkoolvliegas. Afval of grondstof? Die vraag dwong tot onderzoek. In de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw begon de betonsector voorzichtig te experimenteren met deze reststromen. Het was pionieren. Men zag dat de vliegas reageerde met de kalk die vrijkwam bij de hydratatie van cement, maar een eenduidige meetlat ontbrak. De behoefte aan een objectief getal om de 'puzzolane potentie' uit te drukken werd urgenter naarmate de milieuwetgeving strenger werd.

De techniek verschoof van nattevingerwerk naar harde chemie. In de jaren '70, gestuwd door de oliecrisis en de zoektocht naar energiezuinigere bouwmethoden, zocht de wetenschap naar een gestandaardiseerde vergelijking. Hoe presteert een mengsel met 'vervuiling' ten opzichte van het zuivere referentiemateriaal? Dit leidde tot de formulering van de activiteitenindex zoals we die nu kennen. Geen complexe theoretische formules, maar een praktische drukproef. Mortelprisma's van 40 bij 40 millimeter werden de universele taal. De introductie van silica fume in de jaren '80, een bijproduct uit de Noorse ferrosiliciumindustrie, versterkte de noodzaak voor deze index alleen maar. Silica was immers vele malen reactiever dan vliegas. Het indexcijfer werd de scheidsrechter tussen een passieve vulstof en een actief bindmiddel.

Met de harmonisatie van de Europese normen aan het eind van de 20e eeuw kreeg de activiteitenindex een officieel wettelijk kader. Wat begon als een methode om industriële bijproducten nuttig toe te passen, is nu een hoeksteen van de circulaire betontechnologie. De focus verschoof van puur kostenbesparing naar CO2-reductie. De index bewijst nu dat duurzaamheid en constructieve veiligheid hand in hand gaan. Zonder deze historische ontwikkeling van meetmethodieken zouden moderne betonrecepten met een lage milieu-impact simpelweg niet gecertificeerd kunnen worden.


Gebruikte bronnen: