Het proces van aanrazeren vangt aan zodra de boogtrommels of gewelfkappen hun definitieve positie hebben ingenomen, waarbij de karakteristieke holtes tussen de gewelfrug en de omringende muren stapsgewijs worden gedicht met zwaar materiaal. Men begint onderin. Bij de aanzet van de boog wordt metselwerk, vaak bestaande uit zware baksteen of puinmortel, in compacte lagen aangebracht tegen het verticale muurvlak om de noodzakelijke tegendruk te genereren. Een spel van massa en zwaartekracht. Terwijl de hoogte van het vulwerk toeneemt, integreert de constructeur de boog nauwer met de hoofdmuren, waarbij de vulling de kromming van de boogrug exact volgt en deze stabiliseert tegen vervorming door spatkrachten.
De opvulling geschiedt doorgaans gelijktijdig aan beide zijden van een boog om de balans in de constructie te bewaren en asymmetrische belasting te voorkomen. Naarmate de zwikkels vollopen, verdwijnt de grillige vorm van de bovenzijde. Er ontstaat een massief platform. De techniek transformeert de zijdelingse druk van het gewelf effectief naar een verticale last die door de dragende muren naar de fundering wordt geleid. In de laatste fase wordt het oppervlak van dit vulwerk waterpas of onder een lichte helling afgestreken. Hierdoor ontstaat een stabiele ondergrond voor de uiteindelijke vloerafwerking van de bovenliggende ruimte.
Modernere ingrepen grijpen vaker naar beton of lichtgewicht vulmiddelen zoals schuimbeton. Dit laatste is cruciaal bij zwakke funderingen. Gewicht is hier de vijand.
Het subtiele verschil met een reguliere zwikkervulling zit in de intentie: waar een zwikkervulling soms slechts volume toevoegt om een vloer te dragen, dient aanrazeren expliciet de structurele stabilisatie van de boogconstructie zelf. Soms ziet men ook een trapsgewijze uitvoering. Hierbij neemt de dikte van het vulwerk af naarmate men de kruin van het gewelf nadert. Een bewuste keuze. Zo wordt de belasting precies daar gelegd waar de druklijn van de boog de meeste ondersteuning behoeft en de zijwaartse spatkrachten het grootst zijn.
| Type variant | Kenmerken | Toepassing |
|---|---|---|
| Metselwerk-aanrazering | Massieve baksteen, hoge druksterkte. | Historische gebouwen, zware gewelven. |
| Puinmortelvulling | Mix van mortel en bouwafval. | Vullen van grote volumes, kostenbesparend. |
| Lichtgewicht beton | Gereduceerd eigen gewicht. | Renovatie bij beperkte funderingscapaciteit. |
Er bestaat ook zoiets als 'loze' aanrazering waarbij holle ruimtes worden gespaard voor gewichtsbesparing of ventilatie, al raakt dit aan de grens van wat technisch nog als aanrazeren mag gelden. De constructieve samenhang is daar immers minder direct. Het resultaat blijft echter gelijk: een werkbaar vlak boven een complexe kromming.
In de restauratiepraktijk van een gotische kerk komt men vaak verrassingen tegen. Bij het openen van de vloeren boven de gewelfkappen blijkt de oorspronkelijke puinvulling soms verpulverd door eeuwenoude lekkages. De stabiliteit is in het geding. Hier kiest de restaurateur vaak voor het storten van een lichtgewicht betonmortel. Dit materiaal vloeit exact in de grillige holtes boven de gewelfrug. Het resultaat? Een herstelde structurele eenheid die de druklijnen van de bogen weer perfect opvangt, zonder de fundering onnodig extra te belasten.
Tijdens het metselen van een nieuwe boogconstructie ziet men de techniek in zijn meest pure vorm. Twee metselaars werken synchroon aan weerszijden van de boogkruin. Zij brengen de aanrazering gelijktijdig aan. Waarom? Een asymmetrische belasting op een vers gewelf is fataal. Balans is de sleutel tot een succesvolle constructie. De ruwe, trapsgewijze vulling klimt langzaam op tegen de muren totdat de boogconstructie volledig is ingebed in een massief blok metselwerk.Constructieve ingrepen zoals aanrazeren vallen onder de vigeur van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL). Veiligheid voorop. De wet eist dat de stabiliteit van een constructie gewaarborgd blijft gedurende de gehele levensduur. Bij het berekenen van de benodigde massa en de resulterende druklijnen vormt de NEN-EN 1996-reeks (Eurocode 6) het technisch fundament. Deze norm geeft specifieke rekenregels voor het ontwerp en de berekening van metselwerkconstructies. Cruciaal bij boogspanningen.
Het gaat niet enkel om nieuwbouw. Bij monumenten speelt de Erfgoedwet een bepalende rol. Werkzaamheden aan rijksmonumenten vereisen vaak een omgevingsvergunning waarbij getoetst wordt op het behoud van historische substantie. De Uitvoeringsrichtlijn Historisch Metselwerk (URL 2001), opgesteld door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM), dient hierbij als de technische leidraad. Deze richtlijn schrijft voor hoe men moet omgaan met materiaalgebruik. Authenticiteit versus stabiliteit. Het gebruik van specifieke kalkmortels en de verwerking van hergebruikte stenen bij aanrazering wordt hierin gedetailleerd beschreven om compatibiliteit met het bestaande werk te garanderen.
Materialen moeten voldoen aan de relevante productnormen. Voor mortels is dat NEN-EN 998-2. Voor bakstenen NEN-EN 771-1. Geen ruimte voor willekeur. Wanneer men kiest voor modern lichtgewicht beton bij renovatie, dient dit te geschieden volgens NEN-EN 206, waarbij de belasting op de onderliggende boogconstructie nauwgezet moet worden getoetst aan de vigerende veiligheidsfactoren. Een constructeur beoordeelt of de gekozen methode de zijdelingse spatkrachten conform de vigerende normen neutraliseert.
Vóór de negentiende eeuw was aanrazeren een empirische discipline. Er waren geen complexe berekeningen. Men bouwde op basis van overgeleverde tradities en visuele waarneming van scheurvorming. De vulling fungeerde als een onzichtbare ballast die het gewelf in evenwicht hield.
Met de opkomst van de constructieleer in de negentiende eeuw veranderde de benadering van aanrazeren van een ambachtelijke vuistregel naar een technisch berekende noodzaak. De introductie van Portlandcement maakte vullingen sterker, maar ook starheid werd een factor. In de moderne restauratie-ethiek zien we een verschuiving. Men grijpt tegenwoordig vaker terug op lichtgewicht materialen of flexibele mortels om de historische constructie niet onnodig te belasten. De kern van het werk is echter onveranderd gebleven sinds de oudheid: het transformeren van horizontale druk naar een verticale last.