De uitvoering vangt aan bij het positioneren van geleiders. Buizen. Latten. Twee vaste punten dicteren de uiteindelijke hoogte en het eventuele afschot. Het te verwerken materiaal, zoals zand of specie, ligt grof verdeeld tussen deze banen. De rei rust op de geleiders en wordt met een constante, zijwaartse zagende beweging naar de gebruiker toe getrokken. Deze oscillatie voorkomt dat de rei zich in het materiaal vastbijt.
Tijdens de voortgang hoopt overtollig materiaal zich op voor de rei. Dit overschot vult de gaten in het oppervlak op. Waar kuilen ontstaan, wordt handmatig materiaal toegevoegd om de homogeniteit te waarborgen. De fysieke druk moet nauwgezet worden gedoseerd; te veel neerwaartse kracht kan de geleiders doen verzakken, terwijl te weinig druk een ongelijkmatig peil veroorzaakt. Bij grote oppervlakken wordt vaak in banen gewerkt, waarbij de rei telkens over de laatst gemaakte rand of een vaste rail glijdt. Bij vloeibare mortels of beton wordt de rei soms vervangen door een afreibalk die mechanisch of handmatig over de bekisting wordt bewogen om de gewenste verdichting en vlakheid te bereiken.
Het materiaal dicteert de aanpak. Bij zandafreien voor straatwerk ligt de focus op de verdichting van het zandbed en het exacte afschot voor de waterafvoer. Hierbij worden vaak stalen buizen als tijdelijke rails in het zand geslagen. Bij een cementdekvloer, ook wel de smeervloer genoemd, is de precisie hoger. De mortel is stugger dan zand. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de traditionele methode met geleiders en de 'natte methode'.
De natte methode is puur vakmanschap. Geen buizen. Geen latten. De legger trekt eerst banen van de mortel zelf op de juiste hoogte en gebruikt deze vervolgens als geleider voor de rest van het oppervlak. Dit vereist een feilloos oog voor hoogte en vlakheid. Bij betonafreien komt er vaak mechanica aan te pas. De massa is te zwaar voor een eenvoudige lat. Men gebruikt hier een trilstok of een vibratiebalk. Deze variant doet twee dingen tegelijk: het oppervlak vlakken en de betonmassa verdichten door luchtbellen te verwijderen.
In de utiliteitsbouw zijn handmatige reien vaak ontoereikend. De oppervlaktes zijn te groot. Hier kiest men voor machinaal afreien met behulp van lasergestuurde machines. Sensoren op de afreibalk vangen signalen op van een laserbaken en corrigeren de hoogte continu. Millimeterwerk op hectares oppervlakte. Voor de kleinere klusser blijft de aluminium rei de standaard, al wordt in specifieke restauratiewerken soms nog de houten rei gebruikt vanwege de specifieke textuur die het achterlaat op kalkmortels.
Afreien wordt vaak verward met egaliseren of vlinderen. Toch zijn het wezenlijk andere handelingen. Egaliseren is meestal het gieten van een dunne, zelfvloeiende laag over een reeds bestaande harde vloer. Afreien gebeurt echter in de massa zelf, terwijl het materiaal nog plastisch is. Vlinderen volgt pas na het afreien van beton; het is de afwerkfase waarbij de toplaag met roterende bladen wordt verdicht en gepolijst. Afreien legt de basis, vlinderen zorgt voor de glans.
Een stratenmaker slaat twee stalen buizen in het losse zand van een nieuwe oprit. Waterpas erbij. Met een lange aluminium rei trekt hij het overtollige zand met krachtige bewegingen naar zich toe. De buizen fungeren als spoorrails. Het resultaat? Een messcherpe 'zandbaan'. Geen kuilen, geen bulten. Precies de vlakke ondergrond die nodig is om de klinkers straks zonder hoogteverschillen te kunnen leggen.
In een kleine badkamer telt elke millimeter voor een goede afwatering. De vloerenlegger verdeelt de aardvochtige zandcementmortel over de betonplaat. Hij gebruikt tijdelijke houten latten tegen de wanden als hoogtemarkering. Met een korte rei strijkt hij de specie af richting de douchegoot. Concentratie is vereist. Eén verkeerde beweging en het water loopt straks de gang in in plaats van het riool. Een secuur werkje waarbij de rei de hellingshoek dicteert.
Het beton kolkt uit de pompslang tussen de houten bekisting van een fundering. Het oppervlak is nog ruw en ongelijkmatig. De vakman zet de afreibalk dwars op de bovenranden van de bekisting. De randen van het hout zijn hier de geleiders. Hij loopt langzaam achteruit en schuift het teveel aan beton voor zich uit naar de nog lege delen. Het oppervlak sluit zich. Een vlakke bovenkant is essentieel; hierop worden later de eerste rijen stenen van de gevel gemetseld.
Vlakheid is geen gokwerk. De Nederlandse norm NEN 2747 vormt hierbij het juridische en technische kader. Deze norm classificeert de vlakheid en evenwijdigheid van vloeroppervlakken in verschillende klassen. Een afreier moet vooraf weten of er klasse 1 of klasse 5 wordt verlangd. Voor hoogbouwmagazijnen gelden immers extremere eisen dan voor een zandbed onder een stoepje. Bij cementdekvloeren komt daar de NEN 2741 bij kijken, die specifieke eisen stelt aan de kwaliteit en de uitvoering van de mortel.
Arbeidsomstandigheden wegen zwaar. De Arbowetgeving stelt strikte eisen aan de fysieke belasting van de vakman. Langdurig op de knieën handmatig afreien wordt steeds vaker aan banden gelegd bij grote oppervlaktes. Mechanische ondersteuning of gereedschap met verlengde stelen is dan verplicht. Ergonomie is hier een dwingende factor. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) worden de algemene prestatie-eisen voor constructies beschreven, waarbij een correcte afwerking indirect bijdraagt aan de duurzaamheid en veiligheid van de vloerconstructie. Geen losse eindjes. De wet kijkt mee over de schouder van de legger.
Hout was de standaard. Eeuwenlang vertrouwde de vakman op een zorgvuldig geselecteerde, kaarsrechte houten balk om specie of zand te temmen. Romeinse wegenbouwers hanteerden al primitieve reien om de funderingslagen van hun wegennetwerk te nivelleren, een noodzaak voor de stabiliteit van de zware plaveiselstenen. De overgang van ambachtelijk timmerwerk naar gestandaardiseerd gereedschap markeerde een kantelpunt in de bouwgeschiedenis. Geen hightech, maar pure ervaring.
Rond het midden van de twintigste eeuw deed aluminium zijn intrede. Lichter. Vormvaster. Hout werkte, trok krom door vocht en sleet te snel bij intensief contact met schurend zand. De aluminium rei bracht een revolutie teweeg in de fysieke belasting van de vloerenlegger, terwijl de precisie toenam. Parallel aan deze materiaalsprong ontwikkelde de mechanisatie zich razendsnel; de introductie van trilstokken en trilbalken in de jaren '50 en '60 maakte het mogelijk om dikke betonlagen niet alleen te vlakken, maar tegelijkertijd te verdichten. De massa werd hanteerbaar.
De grootste sprong kwam echter met de laser. Waar de vakman vroeger louter op zijn oog en de waterpas vertrouwde, namen sensoren het werk over. Sinds de jaren '90 dicteren roterende lasers de exacte hoogte op grote bouwplaatsen. Het 'timmermansoog' werd een digitale meting. Vandaag de dag is afreien geëvolueerd van een louter fysieke krachtsinspanning tot een hoogtechnologisch proces waarbij robotica de menselijke foutmarge tot een absoluut minimum beperkt, hoewel de basisbeweging — het strijken over de massa — in essentie onveranderd is gebleven.