De realisatie in het veld start met het nauwkeurig uitzetten van de theoretische lijnen. Landmeters vertalen de ontwerptekening naar de fysieke locatie, waarbij piketten of digitale GPS-coördinaten de uiterste grenzen van de aanlegbreedte markeren. Bij een fundering op staal dicteert deze maat direct de bewegingen van de graafmachine. De machinist graaft de sleuven uit tot op de draagkrachtige zandlaag. De breedte onderin de sleuf moet exact overeenkomen met de berekende aanlegbreedte om de grondspanning conform het funderingsadvies te verdelen.
Soms is de ontgraving breder. Taluds zijn nodig bij losse grond. De effectieve aanlegbreedte blijft echter het ijkpunt voor het plaatsen van de wapeningskorven en het stellen van de bekisting. Na het bereiken van de juiste diepte wordt de bodem vaak mechanisch verdicht om de vereiste conusweerstand te bevestigen. Bij infrastructurele werken beslaat de uitvoering een groter horizontaal vlak. Hierbij wordt de volledige strook binnen de aanlegbreedte vrijgemaakt van obstakels en begroeiing. Dit omvat niet alleen de toekomstige verharding, maar ook de noodzakelijke ruimte voor bermen, taluds en de afwateringstrajecten. De aanlegbreedte fungeert zo als de fysieke envelop waarbinnen alle grondverzet- en constructiewerkzaamheden zich concentreren.
Een rijtjeswoning op een draagkrachtige zandlaag vraagt om stabiliteit. De opgaande muren zijn vaak slechts 30 centimeter dik. De betonstrook eronder reikt echter veel verder. Met een aanlegbreedte van 80 centimeter wordt de last van het dak, de verdiepingsvloeren en de bakstenen gevels over een fors oppervlak verdeeld; zo blijft de druk per vierkante centimeter binnen de veilige marges van het sonderingsadvies. Zonder deze verbreding drukt het gewicht de fundering dwars door de zandlaag heen.
In de wegenbouw is de situatie anders. Een fietspad lijkt op het eerste gezicht drie meter breed. Voor de aannemer is de aanlegbreedte echter de volledige strook die bouwrijp gemaakt moet worden. Denk aan de funderingslaag van menggranulaat die breder ligt dan het asfalt zelf, de bermen aan weerszijden en de schuine taluds die naar een lagere slootkant leiden. Het is de totale fysieke voetafdruk in het landschap.
Bij de bouw van een industrieel distributiecentrum kom je poerfunderingen tegen. Een slanke stalen kolom draagt enorme krachten over. De kolomvoet is compact. Maar daaronder ligt een massief blok beton. De aanlegbreedte van zo'n poer bedraagt soms wel twee bij twee meter. Deze forse maat is noodzakelijk om niet alleen het verticale gewicht te dragen, maar ook om de trek- en drukkrachten op te vangen wanneer de wind tegen de hoge gevels van de hal beukt.
De constructieve veiligheid van een bouwwerk is geen vrijblijvende keuze. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt dwingende eisen aan de fundering. Voor de bepaling van de aanlegbreedte vormt de Eurocode 7, vastgelegd in NEN-EN 1997, de technische leidraad. Deze norm schrijft voor hoe de draagkracht en stabiliteit van de ondergrond getoetst moeten worden. Berekeningen leiden hier onherroepelijk tot de minimale zoolbreedte. Zonder deze onderbouwing voldoet een ontwerp simpelweg niet aan de wet. Het gaat hierbij om het voorkomen van bezwijkmechanismen in de bodem.
In de infrastructurele sector speelt de Omgevingswet een sturende rol. Hierbij is de aanlegbreedte vaak de juridische grens voor het fysieke ruimtebeslag in het omgevingsplan. Het raakt aan eigendomsgrenzen. Een afwijking van de maatvoering buiten de vergunde strook kan leiden tot stillegging van het werk. De RAW-systematiek biedt in contracten vaak de kaders voor de feitelijke uitvoering en de verrekening van het grondverzet binnen deze breedte. Bij dijken en waterkeringen gelden aanvullende veiligheidsnormen uit de Waterwet, waarbij de breedte van de teen essentieel is voor de macro-stabiliteit van het hele lichaam. Alles moet kloppen. De landmeter controleert de grenzen nauwgezet.
De overgang van massieve muren naar slankere constructies in de negentiende eeuw dwong tot een technischere benadering van de funderingszool. Met de introductie van de Woningwet in 1901 ontstond er in Nederland voor het eerst een noodzaak voor controleerbare afmetingen en bouwtoezicht. In de infrastructuur voltrok zich een soortgelijke verschuiving. Waar een historisch zandpad nauwelijks breder was dan de wielas van een kar, eist de moderne wetgeving nu een totale fysieke enveloppe die ruimte biedt aan taludstabiliteit en waterberging. De aanlegbreedte transformeerde zo van een simpele timmermansmaat naar een complexe juridische en rekenkundige grens die de stabiliteit van de gehele gebouwde omgeving dicteert.