De realisatie van de aanlegdiepte vangt aan bij het uitzetten van de maatvoering op de bouwplaats, waarbij het peilbesluit de strikte verticale kaders voor het grondverzet dicteert. Men graaft. De diepte wordt tijdens de ontgraving constant gemonitord met meetinstrumenten om te verzekeren dat de onderzijde van de fundering exact op de berekende vorstvrije diepte of de dragende zandlaag uitkomt. Bij het naderen van het gewenste niveau wordt de machinebediening beheerst; de ongeroerde grond mag onder geen beding worden verstoord omdat dit de draagkracht fundamenteel ondermijnt. Een handmatige opschoning van de bodem volgt vaak als laatste verfijning. Losse grond moet weg.
Onverwachte bodemgesteldheden, zoals een plotselinge veenlens of een verstoorde grondlaag, dwingen tot direct overleg met de hoofdconstructeur om de aanlegdiepte eventueel naar beneden bij te stellen. Het afvlakken van de sleufbodem creëert het definitieve niveau voor de constructie. Een strakke basis. Pas wanneer de bodem volledig is voorbereid en gecontroleerd, vindt de installatie van de bekisting of de plaatsing van prefab elementen plaats. De overgang van de natuurlijke ondergrond naar de technische constructie is hiermee een feit. Geen ruimte voor afwijkingen.
In de dagelijkse bouwpraktijk varieert de interpretatie van aanlegdiepte naargelang de specifieke noodzaak van de constructie. We onderscheiden primair de vorstvrije aanlegdiepte en de constructieve aanlegdiepte. Waar de vorstvrije variant puur dient om opvriezen van de fundering te voorkomen — in Nederland standaard vastgesteld op een diepte van minimaal 800 millimeter onder het maaiveld — richt de constructieve aanlegdiepte zich op het bereiken van de draagkrachtige ondergrond. Soms vallen deze samen. Vaak niet. Bij een slappe bodem moet de graafmachine verder naar beneden, tot de vaste zandlaag bereikt is, ongeacht de vorstgrens.
Terminologisch ontstaat er nogal eens ruis. Aanlegniveau wordt regelmatig als synoniem gebruikt, maar strikt genomen verwijst niveau naar een absolute hoogte zoals NAP, terwijl diepte de relatieve afstand tot het maaiveld aangeeft. Een essentieel verschil voor de maatvoerder op de bouwplaats. Bij fundering op palen wordt de term aanlegdiepte bovendien vaak versmald tot de 'onderkant balk'. De werkelijke krachtenoverdracht vindt immers veel dieper plaats bij de paalpunt, waardoor de aanlegdiepte van de balk zelf vooral een randvoorwaarde is voor vorstbescherming en gronddekking.
Bij complexe projecten spreken we ook wel van een gestaffelde aanlegdiepte. Dit komt voor bij bouwwerken op hellingen of direct naast dieper gelegen kelders van belendende percelen. De fundering verspringt dan in hoogte. Geen rechte lijn, maar een trapvormig verloop. De diepte wordt per segment berekend en vastgelegd. Precisiewerk. Een foutieve aanname hier leidt direct tot een ongelijkmatige zetting van het bouwwerk of schade aan de buren. Ook de minimale aanlegdiepte is een vaker gehoorde term, vooral bij lichte bijgebouwen waar de belasting minimaal is maar de vorstveiligheid gewaarborgd moet blijven.
Een eenvoudige tuinmuur van baksteen. De metselaar graaft niet veertig of vijftig centimeter, maar drukt de schep door tot de magische grens van 800 millimeter. Vorstveiligheid. Zonder deze diepte drukt bevriezend grondwater het metselwerk in de winter simpelweg omhoog en zijn scheuren in de voegen het onvermijdelijke resultaat. Een klassieke fout bij hobbyisten.
Woningbouw op een glooiend perceel. Hier volgt de aanlegdiepte niet één strakke lijn parallel aan de horizon. De aannemer realiseert een gestaffelde fundering, waarbij telkens een verspringing naar beneden wordt gemaakt om de helling te volgen. Trapvormig beton. De onderzijde van elk segment moet overal diep genoeg onder het schuine maaiveld blijven om de vorst voor te blijven.
Een aanbouw in een poldergebied met een dikke laag slappe klei. De standaard vorstgrens van tachtig centimeter volstaat hier niet voor de stabiliteit van de constructie. De graafmachine moet dieper. Soms wel anderhalve meter. Net zolang tot de bak de eerste korrels van de vaste zandlaag raakt. De constructieve noodzaak wint het hier van de algemene vorstregel. Zand zoeken.
Realisatie van een garage direct naast een bestaand herenhuis met een diepe kelder. Om te voorkomen dat de nieuwe fundering zijdelingse druk uitoefent op de oude, kwetsbare kelderwand, moet de aanlegdiepte van de garage worden verlaagd naar het niveau van de bestaande kelderfundering. Het spanningsveld tussen oud en nieuw. De diepte wordt hier bepaald door de buren.
Geen vrijblijvendheid in de bouw. Het Besluit bouwwerken leefomgeving, kortweg het BBL, stelt harde eisen aan de fundamentele veiligheid van bouwwerken. Een constructie mag niet bezwijken. Punt. Voor de rekenkundige onderbouwing van de aanlegdiepte vormt NEN-EN 1997 de leidraad. Dit is de Eurocode voor het geotechnisch ontwerp. Hierin staat exact hoe je de draagkracht van de ondergrond weegt tegen de belasting van het gebouw. De wet is hierin onverbiddelijk; de constructieve integriteit moet gewaarborgd zijn gedurende de beoogde levensduur van het pand.
De praktijkrichtlijn voor funderingen op staal hanteert die minimale maat van 800 millimeter als cruciale grens voor vorstvrij aanleggen. Het is een publiekrechtelijke waarborg die indirect volgt uit de prestatie-eisen voor sterkte en stabiliteit. Wie ondieper gaat, moet met complexe berekeningen aantonen dat de veiligheid niet in het geding komt bij extreme weersomstandigheden. Dat lukt in het Nederlandse klimaat zelden. De normen kijken naar de uiterste grenstoestanden waarbij zettingen binnen de strikte perken moeten blijven, ook om schade aan belendende percelen te voorkomen. De wetgever verplicht deze zorgvuldigheid via het stelsel van kwaliteitsborging. Geen berekening, geen start van de bouw.
Vroeger was de aanlegdiepte het resultaat van empirische wijsheid, overgedragen van meester op gezel. Men groef simpelweg tot de schep een andere klank gaf. De 'vaste bank'. Pas met de grootschalige urbanisatie in de negentiende eeuw ontstond de noodzaak voor een meer gestandaardiseerde aanpak, omdat gebouwen zwaarder werden en de maatschappelijke gevolgen van zettingsschade toenamen. De introductie van gewapend beton rond 1900 markeerde een technisch omslagpunt. Men kon plotseling dieper en preciezer funderen zonder de beperkingen van natuursteen of metselwerk onder de waterlijn.
De iconische grens van 800 millimeter vorstgrens kristalliseerde pas echt uit in de Nederlandse bouwpraktijk gedurende de twintigste eeuw. Het was een collectieve reactie op de schade door strenge winters. Geen theoretisch model, maar bittere noodzaak. De eerste nationale normen voor funderingen op staal in de jaren zestig en zeventig legden deze praktijkervaringen vast in harde richtlijnen. De focus verschoof. Van puur voorkomen van vorstschade naar een integrale benadering van bodemmechanica. De overgang naar de Europese Eurocode 7 in de afgelopen decennia maakte de aanlegdiepte definitief het domein van de geotechnicus. Waar voorheen de schop de diepte bepaalde, regeert nu het sondeerrapport. Precisie verving de vuistregel.