De integratie van een zijaltaar in een kerkgebouw start bij de zorgvuldige positionering ten opzichte van de hoofdarchitectuur. Meestal kiest men voor een plek tegen een pijler of binnen de omlijsting van een zijkapel. De basis vormt het supedaneum. Dit is een verhoging van één of meerdere treden die het altaar boven het vloerniveau van de zijbeuk uittilt. De eigenlijke onderbouw, de stipes, bestaat uit massief metselwerk of stenen kolommen. Hierop rust de mensa. Deze dekplaat moet bij voorkeur uit één ononderbroken stuk natuursteen bestaan om de liturgische integriteit te waarborgen. In het midden van de mensa wordt een sepulcrum uitgehakt. Dit is een kleine holte voor het plaatsen van relieken. Men verzegelt deze opening met een altaarsteen en giet de randen vaak af met lood. Verankering vindt plaats aan de achterliggende muur of kolom. Hierbij worden ijzeren doken of ankers diep in de voegen gedreven. Stabiliteit is cruciaal. Een zijaltaar moet het gewicht van een vaak loodzwaar retabel kunnen dragen. Het retabel zelf wordt bovenop de mensa geplaatst of met consoles aan de muur bevestigd, waarbij de lichtinval van nabijgelegen vensters de hoek van de opstelling bepaalt. Geen losse elementen. Alles vormt een constructieve eenheid met de kerkmuur.
Het onderscheid tussen verschillende typen zijaltaren wordt vaak bepaald door de locatie of de identiteit van de schenker. Neem het gildealtaar. Hier kwamen ambachtslieden samen onder het oog van hun patroonheilige; het was het religieuze ankerpunt van een beroepsgroep. Een pijleraltaar daarentegen ontleent zijn naam puur aan de constructieve positie. Het is bevestigd aan een kolom in het schip en is meestal bescheidener van omvang om de verkeersstroom in de zijbeuk niet te hinderen. Klein maar aanwezig. In de meeste kruiskerken vindt men ook vaste devotiealtaren, zoals het Maria-altaar aan de noordzijde en het Sacramentsaltaar aan de zuidzijde. Deze positionering volgt een strikte liturgische logica die door de eeuwen heen zelden werd doorbroken.
Een ander type is het votiefaltaar, gesticht uit dankbaarheid na een genezing of behouden terugkeer. Het verschilt van het broederschapsaltaar, dat eigendom was van een specifieke religieuze vereniging. Soms ontstaat er verwarring met een sacramentshuisje of een tabernakel. Een altaar is echter primair een offertafel. Geen loutere bewaarplaats. In de terminologie wordt ook wel gesproken van een bijaltaar of privaalaltaar, vooral wanneer de toegang tot de betreffende kapel beperkt was tot een specifieke familie. Elk type heeft zijn eigen vormentaal, passend bij de status van de heilige of de diepte van de buidel van de stichter. Variatie in overvloed.
In een gotische kruiskerk staat een Maria-altaar aan de noordzijde van het transept. De mensa is hier uitgevoerd in gepolijst marmer. Gelovigen plaatsen votiefkaarsen op een smeedijzeren standaard naast de stipes. De opstelling blokkeert de doorgang niet, maar creëert een rustpunt buiten de hoofdstroom van de liturgie.
Een gildealtaar in een Vlaamse stadskerk toont de rijkdom van de lakenkopers. Het retabel is drie meter hoog. Het rust op een zware stenen onderbouw die direct in de fundering van de buitenmuur is verankerd. Hierdoor treden er geen zettingsverschillen op tussen het altaar en de kerkconstructie. De nissen bevatten heiligenbeelden die specifiek gerelateerd zijn aan de textielnijverheid.
Ruimtegebrek dwingt soms tot creativiteit. Een pijleraltaar in een drukbezochte parochiekerk hangt aan een massieve kolom in het middenschip. Geen volledige stipes tot aan de grond. In plaats daarvan dragen zware natuurstenen consoles de mensa. Dit bespaart vloeroppervlak. Het is een compacte werkplek voor een priester die een privémis leest, terwijl een paar meter verderop kerkgangers passeren.
Tijdens een restauratieproject komt de technische zijde bloot te liggen. Een aannemer verwijdert een loszittende altaarsteen. In de mensa wordt het sepulcrum zichtbaar. De loden capsule met relieken is nog intact. Men vervangt de verroeste ijzeren doken door roestvaststalen ankers om toekomstige scheurvorming in het metselwerk te voorkomen. De eenheid tussen muur en altaar wordt hersteld.
| Regelgevend kader | Reikwijdte voor zijaltaren |
|---|---|
| Erfgoedwet (2016) | Bescherming van de fysieke integriteit en cultuurhistorische waarde van het object binnen een monument. |
| Codex Iuris Canonici | Kerkelijke voorschriften voor de materiële samenstelling (steen) en de aanwezigheid van een sepulcrum. |
| BBL | Algemene eisen aan de constructieve veiligheid en stabiliteit bij zware belastingen van retabels. |
De vroege christelijke kerk kende slechts één altaar. Deze eenheid symboliseerde de onverdeeldheid van Christus en de gemeenschap. Vanaf de vierde eeuw veranderde dit rigoureus. De opkomst van de heiligenverering dwong tot ruimtelijke aanpassingen; men wilde missen opdragen boven de graven van martelaren of bij hun relieken. Wat begon als een uitzondering in de catacomben, groeide in de Karolingische tijd uit tot een architecturale noodzaak. De introductie van de missa privata, waarbij priesters dagelijks individueel de eucharistie vierden, fungeerde als de technische katalysator voor de wildgroei aan zijaltaren.
In de gotiek bereikte de proliferatie een hoogtepunt. Kerken werden niet langer alleen voor de centrale liturgie gebouwd, maar fungeerden als verzamelplaatsen voor talloze private en semi-publieke religieuze entiteiten. Gilden, broederschappen en adellijke families claimden hun eigen vierkante meters binnen het kerkgebouw. Dit had directe gevolgen voor de bouwstijl. De koromgang en de zijbeuken werden uitgebreid met een krans van kapellen om al deze private altaren te huisvesten. Technisch gezien verschoof het altaar in deze periode van een vrijstaande tafel naar een object dat constructief verankerd werd aan muren of pijlers, vaak bekroond met steeds complexere retabels die de status van de schenker moesten weerspiegelen.
De materiële eisen werden gaandeweg strenger. Waar vroege bijaltaren nog van hout konden zijn, schreef het Concilie van Epaon in 517 al voor dat altaren van natuursteen moesten worden vervaardigd om gezalfd te kunnen worden. Deze canonieke eis bleef door de eeuwen heen de standaard voor vaste zijaltaren. Tijdens de Contrareformatie probeerde de kerk de wildgroei te kanaliseren door striktere regels voor de plaatsing en inrichting, maar de barokperiode zorgde juist voor een esthetische explosie waarbij zijaltaren vaak visueel gingen concurreren met het hoofdaltaar.
De grootste breuk in de gebruiksgeschiedenis vond plaats na het Tweede Vaticaans Concilie. De focus verschoof terug naar de mensa in het midden van de gemeenschap. De noodzaak voor talloze dagelijkse privémissen verviel bijna volledig. Veel zijaltaren verloren hun actuele liturgische functie en degradeerden tot devotieplekken voor het opsteken van een kaars of, in minder gunstige gevallen, tot louter decoratieve interieurstukken. Architecturaal blijven ze echter de stille getuigen van een tijd waarin de kerkplattegrond organisch meegroeide met de sociale en religieuze behoeften van de stad of parochie.
Dbnl | Spaanseverhalen | Inventaris.onroerenderfgoed | Culture-connection