De uitvoering van zelflevering centreert zich rond de fysieke of administratieve koppeling tussen de opweklocatie en het verbruikspunt. Vaak vindt dit plaats via een zogenaamde 'directe lijn'. Dit betreft een private kabelverbinding die buiten het openbare distributienetwerk om wordt aangelegd. Hierbij worden energiebronnen zoals zonneparken of windturbines rechtstreeks aangesloten op de interne installaties van een project of bedrijf. Het net blijft buiten schot. Een cruciaal element is de inzet van een energiemanagementsysteem (EMS). Dit systeem bewaakt continu de balans tussen de actuele opwek en de vraag van zware verbruikers. Wanneer de lokale bronnen pieken, wordt de stroom direct aangewend voor het laden van elektrisch materieel of het aansturen van procesinstallaties.
In complexere scenario's, zoals op uitgestrekte bedrijventerreinen, wordt veelal gewerkt met een Gesloten Distributie Systeem (GDS). De beheerder van dit private netwerk reguleert de energiestromen tussen verschillende gebruikers binnen een afgebakend gebied. Alles draait om technische afstemming. Opslagcapaciteit in de vorm van stationaire batterijsystemen fungeert hierbij als buffer. Deze vangen overschotten op tijdens periodes van hoge productie en geven deze vrij wanneer de eigen bronnen ontoereikend zijn. Geen facturatie door derden. De technische configuratie is volledig gericht op het maximaliseren van de lokale benutting, waarbij de fysieke infrastructuur moet zijn gedimensioneerd op de maximale lokale belasting. Het proces vraagt om een nauwe integratie tussen de hardware, zoals transformatoren en schakelstations, en de softwarematige sturing van de energiestromen binnen de eigen perimeter.
In de praktijk maken we een scherp onderscheid tussen de fysieke en de administratieve variant. Fysieke zelflevering is de meest pure vorm. Een private kabel. Geen netbeheerder die meekijkt. De stroom loopt rechtstreeks van de opwekker naar de verbruiker binnen dezelfde elektrische installatie of via een directe lijn. Hierbij is de fysieke infrastructuur leidend voor de leveringszekerheid. Daartegenover staat administratieve zelflevering. Hierbij wordt het openbare net wel gebruikt als transportmedium, maar blijft de juridische eigendom van de elektronen bij dezelfde entiteit. Het is een boekhoudkundige exercitie. De energie verlaat technisch gezien het terrein, maar juridisch gezien blijft de 'leverancier' dezelfde persoon als de 'afnemer'.
Een hybride variant zien we bij het Gesloten Distributie Systeem (GDS). Dit is een privaat netwerk op een bedrijventerrein of stationslocatie. Hoewel er sprake is van een netwerkstructuur, valt dit onder de noemer van collectieve zelflevering mits de beheerder en de gebruikers binnen de wettelijke kaders van een consortium opereren. Geen externe energieleverancier. Eigen regie. Het is essentieel om dit niet te verwarren met peer-to-peer handel; daar vindt immers een transactie tussen verschillende partijen plaats, terwijl zelflevering uitgaat van een interne allocatie.
| Kenmerk | Zelflevering | Saldering | Commerciële levering |
|---|---|---|---|
| Eigendom bron | Eigen beheer/eigendom | Vaak eigendom, soms lease | Eigendom van derden |
| Rol energienet | Vaak overbodig (direct) | Bufferfunctie | Transportmedium |
| Facturatie | Geen (interne kosten) | Verrekening verbruik/opwek | Markttarief per kWh |
| Juridische status | Niet-leverancier | Consument/kleinverbruiker | Vergunninghoudende leverancier |
Vaak ontstaat verwarring met de postcoderoosregeling of de subsidieregeling coöperatieve energieopwekking (SCE). Dit zijn echter financieringsmodellen en geen vormen van zelflevering in de technische zin. Bij zelflevering is de directe koppeling tussen opwek en last de bepalende factor. Virtuele zelflevering wordt soms genoemd bij geografisch gescheiden locaties van één moederbedrijf, maar dit is fiscaaltechnisch complex en wordt door de wetgever strikt getoetst op de aanwezigheid van een directe verbinding of een specifieke ontheffing. De grens tussen een actieve gebruiker en een kleine leverancier is flinterdun.
Een aannemer realiseert een emissieloze bouwplaats in een woonwijk waar de netcapaciteit ontoereikend is voor zware laadinfrastructuur. Op een aangrenzend braakliggend terrein plaatst hij een mobiele zonnepark-container gekoppeld aan een accupakket. De elektrische kranen en shovels laden gedurende de dag direct op deze lokale bron. Geen netaansluiting nodig. De energiehuishouding is volledig autonoom en gesloten binnen de projectgrenzen.
Stel je een productiehal voor met een enorm dakoppervlak vol PV-panelen. Naast de hal staat een eigen windturbine. De opgewekte energie gaat via een private laagspanningsverdeler direct naar de spuitgietmachines in de fabriekshal. De eigenaar heeft een directe lijn getrokken. Tijdens een zonnige middag met veel wind draait het volledige machinepark op 'eigen' elektronen. Het openbare net fungeert enkel nog als noodstop voor wanneer de techniek faalt.
Een logistiek dienstverlener met een vloot elektrische vrachtwagens bouwt een Gesloten Distributie Systeem op zijn terrein. De stroom van de zonnepanelen op de warehouses wordt beheerd door een centraal algoritme dat bepaalt welke truck wanneer mag laden. Alles blijft binnen de eigen perimeter. De netbeheerder ziet geen pieken op het transformatorstation in de straat. De energiestromen worden intern gealloceerd op basis van de actuele laadbehoefte en de weersverwachting. Slimme sturing maakt de commerciële leverancier overbodig voor het primaire proces.
De juridische basis voor zelflevering wortelt primair in de Elektriciteitswet 1998. Deze wet definieert het onderscheid tussen de openbare netaansluiting en de private infrastructuur. Cruciaal is Artikel 1, dat de status van een 'directe lijn' beschrijft. Dit is een verbinding die elektriciteit transporteert tussen een producent en een afnemer zonder dat deze deel uitmaakt van het landelijke of regionale distributienet. De wet stelt strikte voorwaarden. Geen bemoeienis van de netbeheerder betekent namelijk ook dat de leveringszekerheid en veiligheid volledig bij de eigenaar rusten. Wie een directe lijn aanlegt, moet dit melden bij de Autoriteit Consument & Markt (ACM). Die toetst of er geen sprake is van een 'oneigenlijk netwerk' dat de publieke taak van netbeheerders uitholt.
Met de komst van de nieuwe Energiewet, de beoogde opvolger van de huidige Elektriciteits- en Gaswet, verschuiven de kaders naar meer flexibiliteit voor actieve afnemers. De wetgever erkent hiermee de noodzaak van lokale balancering. Toch blijft het fundament ongewijzigd: zelflevering mag niet leiden tot ongecontroleerde doorlevering aan derden zonder de vereiste leveringsvergunning. Het is een smal pad tussen eigen gebruik en commerciële exploitatie.
Wanneer zelflevering opschaalt naar een bedrijventerrein of een groot complex, komt het regime van het Gesloten Distributiesysteem (GDS) in beeld. Dit is juridisch verankerd in artikel 1, lid 1, onder ak van de Elektriciteitswet. Een GDS-beheerder heeft een ontheffing nodig van de ACM. Deze ontheffing is niet vrijblijvend. De wet vereist dat het systeem geografisch afgebakend is en dat de exploitatie primair gericht is op de eigen behoeften van de aangesloten partijen. De technische integriteit moet gewaarborgd zijn. Regelgeving schrijft voor dat de eigenaar van een GDS verantwoordelijk is voor de meetgegevens en de veiligheid van de installaties. Het is geen vrijplaats. De tarieven voor het gebruik van zo'n privaat net moeten objectief en niet-discriminerend zijn, ook al is er geen sprake van een publieke netbeheerder.
Fiscaal gezien is zelflevering een precair dossier onder de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm). De kernvraag: wie is de verbruiker? Energiebelasting wordt normaal gesproken geheven op het moment dat elektriciteit via een aansluiting aan een verbruiker wordt geleverd. Bij fysieke zelflevering binnen één juridische entiteit vindt er technisch gezien geen belastbare levering plaats. Dezelfde persoon wekt op en verbruikt. Geen factuur, geen belastingheffing over de eigen opwek.
Zodra er meerdere entiteiten in het spel komen, zoals in een consortium of bij administratieve zelflevering, wordt de bewijslast zwaarder. De Belastingdienst hanteert strikte criteria voor het begrip 'eigen opwekking'. Er moet sprake zijn van beschikkingsmacht over de opwekinstallatie. Installaties die fysiek elders staan, maar administratief worden gekoppeld, vallen vaak buiten de vrijstellingen voor de energiebelasting, tenzij specifieke regelingen zoals de postcoderoos (nu SCE) van toepassing zijn. De fiscus kijkt dwars door de kabels heen naar de juridische constructie.
Vroeger was zelfvoorziening de enige optie. De eerste grote industriële complexen en afgelegen bouwlocaties draaiden op eigen stoommachines en vroege generatoren simpelweg omdat een landelijk dekkend elektriciteitsnet nog ontbrak. Autonomie was een technische noodzaak, geen keuze. Met de grootschalige elektrificatie in de 20e eeuw verschoof de bouwsector naar een passieve rol. Het nutsbedrijf leverde, de aannemer verbruikte. Decennialang was de aansluiting op het publieke net de onbetwiste standaard voor elk project.
De liberalisering van de energiemarkt in 1998 wrikte de deur weer op een kier. Juridisch ontstond er ruimte voor de 'directe lijn', maar in de praktijk bleef dit beperkt tot nichetoepassingen of noodstroomvoorzieningen voor ziekenhuizen en datacenters. De omslag kwam met de stikstofcrisis en de daaropvolgende netcongestie. Het net raakte vol. Projecten kwamen stil te liggen. Deze technische blokkade forceerde een terugkeer naar de lokale energie-eilanden van weleer, maar nu met de precisie van moderne algoritmes. Waar men vroeger een aggregaat startte bij gebrek aan kabels, implementeert de moderne ontwikkelaar nu zelflevering om de wachttijden van de netbeheerder te omzeilen. De evolutie toont een verschuiving van mechanische noodoplossingen naar digitale microgrids. Het is een cirkel die rond is. Van eilandbedrijf naar centraal net, en door schaarste weer terug naar de eigen perimeter.
Samenom | Acm | Gemeenteraad.weert | Klimaatverbond | Regionale-energiestrategie