De verwerking van wilgenhout start dikwijls bij de griendcultuur. Hier worden scheuten, in de volksmond tenen genoemd, geoogst voor vlechtwerk. Vers gesneden hout bezit een natuurlijke soepelheid. Voor constructieve toepassingen in de waterbouw, zoals de vervaardiging van zinkstukken, worden deze takken tot lange bossen of 'wiepen' samengebonden. Men legt deze wiepen in een ruitvormig raster over elkaar. Het resultaat is een flexibele mat die, eenmaal verzwaard met breuksteen, de bodem van watergangen beschermt tegen erosie.
Levend vlechtwerk vormt een unieke discipline. Hierbij worden wilgentakken direct in de vochtige grond geplaatst waar ze wortelen en uitgroeien tot een natuurlijke kering. Het materiaal laat zich in deze fase moeiteloos buigen zonder dat de vezelstructuur breekt. Bij mechanische bewerking van gedroogd wilgenhout verandert de dynamiek volledig.
Vlijmscherp gereedschap is essentieel. Vanwege de geringe densiteit en de zachte vezels neigt het hout bij verspaning tot pluizen. Hoge snijsnelheden minimaliseren dit effect. Het schaven gebeurt bij voorkeur onder een kleine spaanhoek om te voorkomen dat de vezels worden losgetrokken in plaats van doorgesneden. Bij het droogproces is de beheersing van de luchtvochtigheid cruciaal. Onregelmatige krimp treedt snel op. Het hout trekt dan scheluw. Voor de productie van klompen wordt de stam in natte toestand in vorm gebracht, waarbij de taaiheid van de natte celwand het splijten tijdens het uithollen voorkomt. Een traag droogproces na de vorming waarborgt de uiteindelijke vormvastheid van het eindproduct.
Wilgenhout is geen monolithisch begrip. De ene soort is de andere niet. Voor de houtverwerkende industrie is de schietwilg (Salix alba) de belangrijkste leverancier van stamhout. Dit hout is relatief uniform en wordt veelvuldig ingezet voor klompen en fineer. Een zeer specifieke variant is de Salix alba 'Caerulea', ook wel de cricket-bat-wilg genoemd. Deze onderscheidt zich door een uitzonderlijk hoge taaiheid in combinatie met een lage dichtheid. Een unieke celstructuur die impact opvangt zonder te versplinteren. Iets wat gewone wilg minder goed kan.
Daarnaast kennen we de katwilg (Salix viminalis). Deze boom produceert de lange, rechte scheuten die essentieel zijn voor het fijnere vlechtwerk. In de waterbouw is de herkomst vaak gemengd. Griendhout, geoogst van speciaal beheerde akkers, levert de uniforme 'tenen' die voor zinkstukken worden gebruikt. Knotwilghout is daarentegen vaak grilliger. Het hout van knotwilgen die langs sloten staan, bevat vaker reactiehout en onregelmatigheden door de cyclische snoei, wat het minder geschikt maakt voor machinale verwerking tot planken maar uitstekend voor ambachtelijke toepassingen.
Verwarring met populier is begrijpelijk. Ze zijn familie. Beide vallen onder de Salicaceae. Wit, licht en zacht. Toch zijn er cruciale verschillen voor de vakman. Wilg is aanzienlijk taaier. Waar populier bij buiging sneller een brosse breuk vertoont, blijft wilg langer intact door de sterke vezelbinding. Wilg laat zich echter lastiger glad schuren; de vezels 'pluizen' sneller dan bij populier. Bij de productie van klompen geniet wilg de voorkeur vanwege de hogere slijtvastheid op het kopse vlak. Populier is makkelijker te bewerken, maar wilg wint het op duurzaamheid bij mechanische belasting.
Een aannemer in de waterbouw inspecteert een lading vers geoogste wiepen. Dit zijn lange, strak samengebonden bossen van wilgentenen die het geraamte vormen van een zinkstuk. Terwijl de ploeg het raster vlecht op een ponton, valt de enorme flexibiliteit op; de takken laten zich in scherpe hoeken buigen zonder dat de vezels breken. Zodra het vlechtwerk met breuksteen naar de bodem van de vaargeul wordt afgezonken, past de mat zich moeiteloos aan de onregelmatige contouren van de rivierbodem aan. Hier fungeert het wilgenhout als een filtermat die de grond op zijn plek houdt terwijl het water vrij kan passeren.
In een klompenmakerij ligt een natte stam schietwilg op de werkbank. De ambachtsman zet een vlijmscherp hefboommes in het kopse hout. Het materiaal biedt nauwelijks weerstand. Een bot mes zou hier direct voor problemen zorgen; de zachte vezels zouden niet doorgesneden maar platgedrukt worden, wat een pluizig en onnauwkeurig oppervlak geeft. Eenmaal uitgehold en gedroogd, valt het lage gewicht op. Een volwassen paar klompen weegt slechts een fractie van een eikenhouten variant, maar door de taaie celstructuur splijt de zool niet wanneer de drager op een scherpe steen stapt.
Een hovenier vlecht een levende erfafscheiding. Hij steekt lange, rechte wilgentakken direct in de vochtige kleigrond. Omdat wilgenhout over een enorm regeneratievermogen beschikt, ziet de voorbijganger na enkele weken de eerste groene knoppen verschijnen. Het hout dient hier niet als dood bouwmateriaal, maar als een constructief element dat met de jaren sterker wordt door diktegroei. De soepelheid van de jonge scheuten maakt het mogelijk om de takken als een mandwerk in elkaar te draaien, waardoor een winddicht en stabiel scherm ontstaat zonder het gebruik van spijkers of schroeven.
Denk aan de handgreep van een specifiek stuk gereedschap of een sportartikel zoals een cricketbat. Wanneer een harde bal de wilgenhouten slagplaat raakt, treedt er een minieme, tijdelijke vervorming op in de celwand. In tegenstelling tot hardere houtsoorten zoals essen, die de trilling direct doorgeven aan de handen van de gebruiker, absorbeert de wilg de energie. Dit dempende vermogen, het resultaat van de lage densiteit en hoge taaiheid, voorkomt dat het hout onder herhaalde impact versplintert.
In de wereld van de NEN-normen speelt wilg een bescheiden rol. NEN-EN 338 classificeert hout op sterkte. Wilg valt hier meestal buiten de boot voor serieuze constructieve berekeningen. De waarden zijn te laag. Voor dragende toepassingen binnen de kaders van het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) is dit hout zelden een optie. Eurocode 5, de rekenregel voor houtconstructies, biedt weinig houvast voor zo’n zachte soort. Ook de natuurlijke duurzaamheid is een punt van aandacht. Volgens NEN-EN 350 valt onbehandeld wilgenhout in klasse 5. Niet duurzaam. Het rot weg waar je bij staat als het constant vochtig is. In de woningbouw beperkt het gebruik zich daarom vaak tot niet-dragende, decoratieve interieurelementen waar geen structurele eisen gelden.
Bij oeververdediging gelden specifieke regels. De Standaard RAW Bepalingen vormen hier vaak de basis voor bestekken. Wilgentenen en wiepen moeten aan strikte criteria voldoen. Denk aan versheid. Te droog hout breekt tijdens het vlechten. De dikte van de tenen moet uniform zijn voor een stabiel zinkstuk. Rijkswaterstaat hanteert daarnaast eigen kwaliteitsrichtlijnen voor de toepassing van rijshout. Hier telt niet de jarenlange houdbaarheid van de celwand, maar de directe mechanische bescherming van de bodem. Zodra het zinkstuk is afgezonken en verzwaard, vervalt de noodzaak voor een hoge duurzaamheidsklasse; het slib neemt de conserverende taak over.
De Europese Unie stelt eisen aan de herkomst. Sinds de komst van de EU-ontbossingsverordening (EUDR) moet de legaliteit van de kap aantoonbaar zijn. Ook voor de lokale knotwilg of griendcultuur. Traceerbaarheid is het sleutelwoord. In aanbestedingen wordt bovendien steeds vaker gevraagd naar de Milieukostenindicator (MKI). Wilgenhout scoort hier uitstekend. De snelle groei zorgt voor een hoge CO2-opslag in korte tijd. Hoewel certificeringen zoals FSC of PEFC bij wilgenhout minder courant zijn dan bij vuren of eiken, vraagt de markt er bij grotere infrastructurele projecten wel steeds vaker naar om aan duurzaamheidscriteria te voldoen.
Wilg is een oerproduct. Al ver voor de jaartelling gebruikten bewoners van de delta de bast en de tenen voor manden en visvallen. De technische evolutie versnelde tijdens de grote landaanwinningen. Zonder de georganiseerde griendcultuur van de 17e eeuw waren de Nederlandse polders simpelweg onmogelijk geweest. Men had behoefte aan massa. Aan flexibele structuren die de bodem konden fixeren voordat het zand eroverheen ging. De waterbouw verhief het vlechten van wilgentenen tot een industriële discipline. Takken werden gestandaardiseerd. Wiepen kregen vaste maten.
In de 19e-eeuwse ambachtseconomie verschoof de focus naar de klomp. De schietwilg werd geselecteerd op groeisnelheid en rechtheid. Een puur functionele selectie. Ambachtslieden ontdekten dat nat verwerkt hout minder snel spleet. Dat was geen toeval, maar toegepaste materiaalkennis avant la lettre. Later, rond de jaren '50 van de vorige eeuw, zorgde de opkomst van de baggerindustrie en zware machines voor een dip in de vraag naar handmatig gevlochten rijshout. Men koos voor steen en staal. Synthetische matten vervingen het vlechtwerk.
De geschiedenis herhaalt zich nu in een ecologisch jasje. De moderne techniek herontdekt de wilg. Niet als ouderwets restproduct, maar als CO2-negatief filtermateriaal en als levende constructie in de 'building with nature'-filosofie. Van essentieel overlevingsmiddel naar duurzaamheidsicoon. De transitie van puur praktisch gebruik naar een gewaardeerd ecologisch bouwmateriaal markeert de huidige status binnen de sector.