Metingen eerst. Bodemprofielen bepalen de strategie. In de praktijk start de beheersing van de waterhuishouding met het plaatsen van peilbuizen om de dynamiek van het freatisch vlak te begrijpen voordat de eerste graafmachine verschijnt. Tijdens de bouwperiode domineert de actieve sturing van het grondwater. Men zet bemalingssystemen in, zoals vacuümfilters of diepwellen, die het waterniveau lokaal denderend naar beneden dwingen om droog werken in de bouwput mogelijk te maken. Retourbemaling herstelt elders de balans. Het is een technisch steekspel met debieten en vloeidrukken om zettingen in de directe omgeving te voorkomen.
Bij de definitieve inrichting van een gebied verschuift de uitvoering naar de installatie van passieve en actieve buffersystemen. Afkoppelen van verhard oppervlak is hierbij de norm. Hemelwater wordt via gescheiden rioolstelsels naar infiltratiekratten of retentievijvers geleid, waar het vertraagd in de bodem zakt. Of het stroomt naar openbare ruimtes die specifiek zijn ingericht voor tijdelijke waterberging. Ingenieurs installeren debietregelaars en overstortdrempels die de uiteindelijke uitstroom naar het oppervlaktewater mechanisch begrenzen. Alles draait om de sponswerking. De aanleg van deze fysieke systemen vereist uiterste precisie bij het bepalen van het afschot en het selecteren van filtermaterialen om dichtslibbing van de ondergrondse infrastructuur te vermijden.
Binnen de bebouwde omgeving spreken we specifiek over de stedelijke waterhuishouding. Een complex samenspel van grijze infrastructuur — het riool — en de steeds belangrijker wordende blauw-groene aders. Denk aan wadi's. Hier botst de noodzaak tot snelle afvoer met de wens om water vast te houden voor droge periodes. Een spanningsveld tussen techniek en natuur.
In de agrarische sector draait het dan weer om de landbouwkundige waterhuishouding. Hier is het grondwaterpeil heilig. Niet te hoog voor de machines, niet te laag voor de gewassen. Drainagebuizen liggen hier in strakke patronen, kilometers lang, verborgen onder de klei of het zand om de capillaire werking te beïnvloeden.In de praktijk is waterhuishouding geen abstract concept, maar een dagelijkse realiteit op de bouwplaats en in het stedelijk ontwerp. De volgende scenario's illustreren hoe dit er concreet uitziet.
Het regent hard. De straat blijft droog. Dat is waterhuishouding die werkt.
Waterhuishouding is sinds 2024 stevig verankerd in de Omgevingswet. De oude Waterwet is opgegaan in dit nieuwe stelsel. Cruciaal hierbij is de zorgplicht voor hemelwater. De wet stelt dat de eigenaar van een perceel in eerste instantie zelf verantwoordelijk is voor het verwerken van neerslag die op zijn terrein valt. Gemeenten vullen dit lokaal in via een hemelwaterverordening. Hierin staan vaak harde eisen voor waterberging, uitgedrukt in millimeters per vierkante meter verhard oppervlak. Bouwen zonder rekening te houden met deze retentie-eisen? Onmogelijk. Het Besluit bouwen leefomgeving (BBL) vult dit aan met technische voorschriften voor de scheiding van vuilwater en hemelwater bij nieuwbouw. Een directe koppeling van de regenpijp op het vuilwaterriool is tegenwoordig nagenoeg uitgesloten. De wet dwingt tot infiltreren.
Voor het rekenwerk grijpt de professional naar de NEN-normen. NEN 3215 is de leidraad voor de dimensionering van afvoersystemen binnen en direct buiten het gebouw. Het bepaalt hoe dik die buis moet zijn om die ene extreme hoosbui te overleven zonder dat de boel overstroomt. Buiten de perceelgrens regeert NEN-EN 752 voor de grotere infrastructuur. En dan zijn er de waterschappen. Hun Keur — de eigen verordening van het waterschap — bevat strikte verboden en geboden voor ingrepen nabij dijken of watergangen. Wie wil lozen op oppervlaktewater of een dam wil aanleggen, krijgt direct te maken met de vergunningplicht uit deze reglementen. Geen overleg betekent vaak geen voortgang. De regels zijn streng. Wie bouwt, moet bergen.
De Nederlandse waterhuishouding begon niet met berekeningen, maar met overlevingsdrang. In de middeleeuwen was de strategie simpel: dijken bouwen en water lozen. Door grootschalige veenontginning klonk de bodem in, waardoor natuurlijke afwatering onmogelijk werd. Dit dwong tot de oprichting van de waterschappen, de oudste democratische instituties van het land. Techniek volgde de noodzaak. Eerst met houten sluisjes, later met de iconische molengangen die het water via boezems naar de zee pompten. De uitvinding van de stoommachine in de 19e eeuw markeerde een technisch kantelpunt. Gemalen zoals De Cruquius konden plotseling hele meren droogmalen, wat de schaal van waterbeheer voorgoed veranderde van lokaal naar regionaal.
Gedurende de 20e eeuw domineerde de gedachte van 'snelle afvoer'. Alles moest zo droog mogelijk voor de landbouw en woningbouw. Beton en asfalt kregen voorrang. De omslag in deze filosofie kwam pas laat in de jaren '90, na bijna-overstromingen van de grote rivieren. Men besefte dat het systeem vastliep. De focus verschoof van het bevechten van water naar het faciliteren ervan. De introductie van de drietrapsstrategie — vasthouden, bergen, afvoeren — verving het lineaire afvoermodel. Deze transitie van 'lozen' naar 'sturen' vormt de basis voor de huidige technische praktijk, waarbij de bodem weer als spons moet fungeren in plaats van als waterafstotende plaat.