Het gebruik van de voegroller vindt plaats in de overgangsfase tussen het metselen en het definitief uitharden van de mortel. Timing is cruciaal. Zodra de metselspecie voldoende is aangetrokken maar nog wel plastisch vervormbaar is, wordt de roller ingezet om de lint- en stootvoegen te bewerken. De verwerker geleidt het instrument met een constante, handmatige druk over het verse metselwerk. Deze handeling vervangt de traditionele werkwijze waarbij voegen eerst worden uitgekrabd om later opnieuw te worden gevuld. Door de rollende beweging vindt er een directe mechanische verdichting plaats. De mortel wordt hierbij krachtig tegen de flanken van de bakstenen geperst.
De diepte en vorm van de voeg worden bepaald door de configuratie van de roller of het gekozen opzetwiel. Bij een vlakke afwerking lijnt de roller de mortel uit met het zichtvlak van de steen, terwijl bij verdiept voegwerk de roller dieper in de voeg wordt gedrukt. Het resultaat hangt nauw samen met de consistentie van de mortelspecie op het moment van verwerking. Een te natte mortel leidt tot smeren op het geveloppervlak; een te droge mortel laat zich niet meer homogeen verdichten. De fysieke interactie tussen de roller en de specie zorgt voor een gesloten oppervlaktestructuur die direct na het rollen zichtbaar wordt. Het proces eindigt vaak met het licht naborstelen van de gevel om eventuele braampjes te verwijderen en het metselwerk te reinigen.
De markt voor voegrollers wordt gedomineerd door een handvol specifieke systemen. De termen Easypointer en Pointmaster vallen vaak. Men gebruikt ze bijna als generieke namen, maar het zijn wezenlijke merkvarianten met eigen kenmerken. Waar de één uitblinkt in een snelle, vaste diepte-instelling, biedt de ander de mogelijkheid om tot op de millimeter nauwkeurig te bepalen hoe ver de mortel wordt teruggedrukt. Consistentie is hierbij het sleutelwoord. En dat bereik je alleen met materieel dat niet verloopt tijdens de werkdag.
De geometrie van het loopwiel dicteert het esthetische resultaat. Er zijn drie hoofdvormen te onderscheiden:
Contrast is er ook met de traditionele voegspijker. De voegroller is een instrument voor directe mechanische verdichting, terwijl de voegspijker een afwerkinstrument is voor achteraf aangebrachte voegmortel. Men verwart de voegroller soms met een voegenkrabber. Een grove fout. Een krabber haalt materiaal weg en creëert holle ruimtes; de roller perst de specie juist samen tot een monolithisch geheel. Er bestaan ook varianten met verwisselbare koppen voor projecten waar lintvoegen en stootvoegen een verschillende diepte of profilering vereisen. Soms zie je kunststof varianten voor de hobbymarkt, maar in de professionele gevelbouw is roestvast staal de standaard. Slijtvastheid is cruciaal bij contact met de schurende werking van zand en cement. Een versleten wiel leidt immers onherroepelijk tot een onregelmatig gevelbeeld.
De voegroller in actie zien is een les in efficiëntie. Op de steiger bij een grootschalig woningbouwproject staat een metselaar met een Pointmaster in zijn hand. Hij wacht op het moment dat de specie 'handdroog' is. Dan volgt de beweging. In één vloeiende, horizontale haal wordt de lintvoeg verdicht. Geen stofwolken van het uitkrabben. Geen gesjouw met emmers voegspecie achteraf. Het resultaat is een monolithische gevel waar de mortel en steen één onverwoestbaar geheel vormen.
Het proces luistert nauw. Is de mortel te nat? Dan smeert de roller de cementmelk over de kostbare gevelstenen. Is de mortel te droog? Dan moet de metselaar zijn hele lichaamsgewicht in de strijd gooien om de roller nog in de voeg te krijgen. De ervaren vakman herkent het perfecte moment aan het geluid van de roller op de specie en de manier waarop de mortel zich laat dwingen tot een strakke, gladde afwerking.
Metselwerk is geen vrije kunst. Regels dicteren de kwaliteit. Voor de inzet van de voegroller is specifiek de CUR-Aanbeveling 61 leidend. Deze richtlijn vormt de technische ruggengraat voor doorstrijkwerk in Nederland. Het document stelt harde eisen aan de mortelsamenstelling en de diepte van de verdichting. De voegroller mag de mortel niet slechts oppervlakkig gladstrijken. De kern moet compact zijn. Alleen door een homogene verdichting over de volledige voegdiepte ontstaat een duurzaam resultaat dat voldoet aan de constructieve verwachtingen.
Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) stelt de algemene kaders voor de waterdichtheid van de gebouwschil. Een gevel moet vocht buitenhouden. Punt. NEN-EN 1996-2, onderdeel van de Eurocode 6, vult dit aan met technische uitvoeringseisen voor metselwerk. Hierin staat dat voegen volledig gevuld en correct afgewerkt moeten zijn om indringing van agressieve stoffen of water te voorkomen. De mechanische druk van de roller is hierbij essentieel voor het bereiken van de vereiste vorstbestendigheid zoals omschreven in NEN 2872. Wie de voegroller verkeerd hanteert, riskeert een gevel die niet voldoet aan de wettelijke prestatie-eisen voor duurzaamheid en veiligheid.
Decennialang was de voeger een aparte discipline op de bouwplaats. Eerst de baksteen, toen de voeger. De metselaar krabde de verse mortel uit en liet een lege holte achter voor later. Deze traditionele methode vormde echter vaak een technisch risico; de hechting tussen de oude metselspecie en de nieuwe voegmortel bleek niet altijd optimaal. In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw verschoof de focus in de Nederlandse bouwsector naar integrale kwaliteit. Doorstrijkwerk werd de nieuwe standaard. Twee arbeidsgangen smolten samen tot één proces.
De voegroller was het antwoord op de roep om procesbeheersing. Waar vaklieden aanvankelijk zelfgeknutselde houten stokjes of gebogen stukken betonstaal gebruikten om de voeg glad te strijken, ontstond er behoefte aan uniformiteit. Mechanische precisie werd noodzakelijk. Merken als Pointmaster en Easypointer professionaliseerden de handeling door rollers te introduceren die een constante diepte en druk garandeerden. Geen nattevingerwerk meer. De introductie van de CUR-Aanbeveling 61 in de jaren negentig gaf de definitieve aanzet tot de acceptatie van de voegroller als essentieel gereedschap. Het instrument transformeerde van een handigheidje naar een vereiste voor het realiseren van een monolithische, waterdichte gevel die voldoet aan moderne technische eisen.