De praktische toepassing van de voegmal vangt aan zodra de ingezette mortel de juiste stijfheid bezit. Dit moment, vaak omschreven als aardvochtig, is essentieel voor een vlekvrij resultaat. Met een constante druk wordt de mal door de voegen getrokken. Lintvoegen eerst. Daarna de stootvoegen. Door deze lineaire beweging wordt de mortel niet alleen verdeeld, maar vooral diep in de voegopening geperst tegen de flanken van het metselwerk aan.
Tijdens het strijken vindt een directe transformatie van de voegstructuur plaats. De mechanische druk drijft resterende luchtbellen naar buiten en sluit het oppervlak af, wat de dichtheid van de massa vergroot. De vorm van de mal dicteert hierbij de uiteindelijke profilering; een ronde mal resulteert in een holle voeg, terwijl een rechte mal een strakke, vlakke afwerking oplevert. De diepte wordt bepaald door de mate waarin de mal tussen de stenen wordt gedrukt of tegen de zichtzijde van de steen rust. Gelijkmatige weerstand is het streven. Een haperende beweging veroorzaakt onmiddellijk kleur- of structuurverschillen in het gevelbeeld. Het proces eindigt wanneer de mortel over de gehele lengte van de voeg een uniforme textuur en diepte vertoont, waarbij de overgang tussen horizontale en verticale voegen naadloos in elkaar overloopt.
De geometrie van de mal dicteert het schaduwspel op de gevel. Meest gangbaar is de ronde voegmal. Deze creëert de klassieke holle voeg die het licht zacht breekt en hemelwater effectief naar buiten geleidt. Tegenover de ronde vorm staat de platte of rechtgesneden mal. Deze wordt ingezet voor platvol voegwerk, waarbij de mortel gelijk ligt met de zichtzijde van de steen, of juist voor een verdiepte voeg. Verdiepte mallen beschikken vaak over een vaste of instelbare aanslag die op de steen rust. Zo blijft de diepte over de hele muur identiek. Voor specialistisch restauratiewerk bestaan er snij- of knipmallen; deze zijn scherper en bedoeld om de mortel buiten de steenrand te vormen voor een monumentale uitstraling. De keuze is bepalend. Een verkeerde mal bij de verkeerde steen ruïneert de architectonische intentie.
Materiaalgebruik is een kwestie van duurzaamheid. Gehard staal voert de boventoon. Logisch, want de schurende werking van zand in de mortel vreet aan zachtere metalen. Bij delicaat tegelwerk binnenshuis wijkt men echter vaak uit naar kunststof varianten of rubberen mallen. Die voorkomen krassen op kwetsbaar glazuur. Er ontstaat regelmatig verwarring met de voegspijker. Kort gezegd: de spijker vult en drukt aan, de mal modelleert de vorm. Een variant die de laatste jaren terrein wint is de voegroller. Dit is in feite een mal op een gelagerd wieltje. Het ontlast de pols bij lange meters lintvoeg. Voor stootvoegen blijft de handmatige mal echter superieur. Consistentie in druk is hierbij belangrijker dan snelheid alleen.
Een modern kantoorpand vraagt om een strak lijnenspel. De architect schrijft een verdiepte voeg voor van exact 8 millimeter. De voeger gebruikt hiervoor een voegmal met een vaste aanslag die tegen de voorkant van de baksteen rust. Door de mal met constante druk door de lintvoegen te trekken, ontstaat een diepe schaduwwerking die over de gehele gevel identiek is. Geen millimeter afwijking. Puur ritme.
Bij de restauratie van een monumentale boerderij is de aanpak anders. Hier kiest de vakman voor een halfronde stalen mal. De muren bestaan uit onregelmatige handvormstenen. De ronde mal volgt de lichte welvingen van het metselwerk en verdicht de mortel tot een klassieke holle voeg. Dit ziet er niet alleen authentiek uit; de vorm zorgt er ook voor dat regenwater effectief van de gevel afstroomt. Functionele esthetiek.
Binnenshuis, bij het voegen van een badkamer met kwetsbare handgebakken tegels, is staal uit den boze. Een krans op het glazuur is zo gezet. De tegelzetter hanteert hier een kunststof voegmal. Hiermee strijkt hij de voegmassa tussen de tegels glad zonder het oppervlak te beschadigen. Het resultaat is een subtiele, licht verdiepte voeg die de tegelranden accentueert.
Grote nieuwbouwprojecten. Meters maken. Voor de kilometers aan lintvoegen grijpt de voeger naar een voegroller. Dit is een mal gemonteerd op een gelagerd wieltje. Hij rolt soepel over de steen, terwijl het profiel de mortel met kracht in de voeg perst. Voor de korte stootvoegen schakelt hij direct over naar de traditionele handmal. Snelheid in de lengte, precisie in de hoogte.
Regels zijn er niet voor niets. In de bouw draait het om prestatie-eisen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) schrijft indirect voor dat de schil van een gebouw waterdicht moet zijn. Een gevel die water doorslaat, voldoet simpelweg niet. Hier komt de voegmal om de hoek kijken als essentieel hulpmiddel om aan die wettelijke eisen te voldoen. Zonder mechanische verdichting blijft mortel te poreus. De NEN 3835 vormt het technische fundament voor de uitvoering en beoordeling van metselwerk in Nederland. Deze norm stelt kaders voor de uniformiteit en diepte van voegen. De voegmal is het instrument dat deze theoretische eisen vertaalt naar een tastbaar resultaat op de steen.
Bij monumentenonderhoud liggen de kaarten anders. Hier regeert de URL 2826 (Uitvoeringsrichtlijn Historisch Metselwerk). Deze richtlijn eist vaak specifieke profielen, zoals de knip- of snijvoeg, om de historische waarde te behouden. De keuze voor een specifieke mal is in dergelijke projecten geen esthetische suggestie maar een dwingend voorschrift. Ook de CUR-aanbevelingen voor voegwerk bieden technische handvatten voor de hardheid en samenstelling van de mortel in relatie tot de afwerking. Consistentie is het sleutelwoord. Een afwijkende voegdiepte door onjuist malgebruik kan bij oplevering leiden tot juridische discussies over esthetische gebreken of technische tekortkomingen in de waterwering.
Eeuwenlang was voegen geen op zichzelf staande discipline. Metselaars streken de overtollige mortel simpelweg glad met de punt van hun troffel terwijl ze de muur opgaiden. Pas tijdens de negentiende-eeuwse architectuurstijlen, waarbij de esthetiek van de gevel een statusmiddel werd, ontstond de noodzaak voor gescheiden voegwerk en specifiek modelleergereedschap. De introductie van de knip- en snijvoeg markeerde een technisch omslagpunt. Hiervoor smeedden vaklieden hun eigen mallen uit platte stukken staal om de uiterst dunne, uitstekende mortellijnen vorm te geven.
Met de komst van cementgebonden mortels in de vroege twintigste eeuw veranderde de slijtagebelasting op het gereedschap radicaal. Waar houten latjes of zacht ijzer volstonden voor kalkmortels, vrat het schurende zand in cementmortels deze snel weg. Gehard staal werd de standaard. De vormgeving van de mal volgde de mode. In de wederopbouwperiode was de verdiepte voeg populair voor een schaduweffect, wat leidde tot de ontwikkeling van mallen met vaste aanslagen voor een uniforme diepte over duizenden vierkante meters gevel. De laatste decennia verschoof de focus naar ergonomie en snelheid. De voegroller kwam op de markt. Minder fysieke belasting voor de voeger. Het gereedschap evolueerde zo van een ambachtelijk smeedstuk naar een technisch geoptimaliseerd instrument voor massaproductie.