Het proces vangt aan met de mechanische of handmatige verwijdering van de gedegradeerde voegspecie. Men hakt of slijpt de voegen uit tot een diepte waarbij de gezonde kern van de mortel zichtbaar wordt. Doorgaans hanteert men hierbij een diepte die gelijk is aan anderhalf tot twee keer de breedte van de voeg. Precisie is hierbij geboden om de randen van de bakstenen niet te beschadigen. Na het uitruimen volgt een grondige reiniging van de openstaande voegen.
Stof en losse deeltjes moeten volledig wijken. Meestal gebeurt dit door de gevel af te spuiten met water onder gepaste druk of door gebruik van perslucht. Het bevochtigen van de ondergrond is een technisch noodzakelijke handeling. Het voorkomt dat de droge metselstenen te veel aanmaakwater uit de verse mortel zuigen, wat tot verbranding en slechte hechting zou leiden. Het vullen van de voegen geschiedt vervolgens door de nieuwe mortel met kracht in de voegen te drukken. De specifieke afwerking van de voegzijde, zoals een schaduwvoeg, een platvolle voeg of een ambachtelijke knipvoeg, bepaalt het uiteindelijke gevelbeeld en de mate waarin de gevel regenwater afvoert. Het proces rondt af met een gecontroleerde droging, waarbij de mortel de tijd krijgt om de gewenste hardheid te bereiken zonder blootstelling aan extreme weersomstandigheden.
De visuele identiteit van een gevel hangt nauw samen met het gekozen voegtype. Geen enkele voeg is louter decoratief. De platvolle voeg vormt de standaard in de hedendaagse bouw; de mortel wordt hierbij gelijk met het oppervlak van de steen afgewerkt. Een variatie hierop is de doorgestreken voeg, waarbij de specie met een voegijzer glad wordt getrokken voor een hogere dichtheid en betere waterwerendheid. Voor een robuust schaduweffect kiest men vaak de verdiepte voeg. Deze ligt enkele millimeters achter het steenoppervlak, waardoor de baksteen meer nadruk krijgt. De schaduwvoeg gaat nog een stap verder door de bovenzijde schuin naar binnen te laten lopen. Dit accentueert de horizontale lijnvoering van het metselwerk enorm. Details doen ertoe.
Bij historische panden spreekt men vaak over de knipvoeg of de snijvoeg. Deze ambachtelijke varianten liggen op de steen in plaats van er tussen. Een knipvoeg steekt iets buiten de gevel uit en is aan de boven- en onderzijde strak afgesneden, wat een uiterst strak en formeel beeld geeft. De snijvoeg lijkt hierop, maar ligt gelijk met het steenoppervlak. Het aanbrengen van dergelijk voegwerk is tijdrovend. Vakmanschap is hierbij geen luxe maar een vereiste. Het verschil tussen deze twee is voor de leek subtiel, maar voor het behoud van het historische gevelbeeld essentieel.
Voegherstel is niet synoniem aan simpelweg 'dichtsmeren'. De materiaalkeuze varieert sterk. Moderne cementgebonden mortels zijn hard en sterk, maar vaak ongeschikt voor oude muren. Voor monumentale panden wordt vrijwel altijd een kalkmortel gebruikt. Kalk is elastischer. Het ademt beter. Gebruik je harde cementvoegen bij zachte, oude bakstenen? Dan gaat het mis. De spanningen door temperatuurverschillen zorgen er dan voor dat niet de voeg, maar de kostbare baksteen zelf scheurt. Dit proces is onomkeerbaar.
Soms wordt voegherstel verward met inboeten. Hoewel ze vaak samen voorkomen, betreft inboeten het vervangen van de bakstenen zelf, terwijl voegherstel zich beperkt tot de tussenliggende mortel. Ook de term hervoegen wordt veelvuldig gebruikt; dit duidt meestal op het integraal vervangen van al het voegwerk van een gevelvlak, in tegenstelling tot plaatselijk herstel waarbij alleen de slechtste plekken worden aangepakt. Men spreekt ook wel van point-pointing bij zeer lokaal herstel, al is die term in de Nederlandse praktijk minder gangbaar.
Voegherstel komt in beeld zodra de technische integriteit van de gevel wankelt. Het begint vaak klein. Een paar plekken waar de mortel loslaat. Hieronder volgen enkele herkenbare situaties uit de bouw- en onderhoudspraktijk.
Kijk ook naar de overgang tussen verschillende bouwdelen. Rondom kozijnen zie je vaak dat de voeg loslaat door de werking van het hout of kunststof ten opzichte van het metselwerk. Een klein scheurtje is daar genoeg. De vakman krabt de oude specie weg en zet er een flexibele kitvoeg of een verse mortelvoeg voor in de plaats. Het verschil is direct zichtbaar. De gevel oogt weer als één geheel. De stenen zijn weer beschermd.
In Nederland vormt het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) de juridische basis voor de staat van bestaande gebouwen. Er geldt een algemene zorgplicht. Dit betekent dat een eigenaar het metselwerk in zodanige conditie moet houden dat er geen gevaar voor de omgeving ontstaat door bijvoorbeeld loslatende stenen of verregaande degradatie van de gevelconstructie. Slecht voegwerk dat leidt tot structurele onveiligheid is strijdig met deze regelgeving. De overheid stelt hierbij functionele eisen aan de waterdichtheid en de thermische schil.
Geen onderhoud is simpelweg geen optie. Handhaving kan optreden bij ernstige verwaarlozing.
Bij panden met een status als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument is de Erfgoedwet leidend. Voegherstel is hier zelden een kwestie van louter technische invulling; het is een ingreep in het historische karakter. Voor het uithakken en opnieuw voegen is vrijwel altijd een omgevingsvergunning vereist. De regelgeving dwingt hier tot het gebruik van materialen die compatibel zijn met het origineel. Denk aan specifieke kalkmortels zonder cementtoevoeging. Het herstellen van een snij- of knipvoeg moet gebeuren volgens strikte restauratienormen om de cultuurhistorische waarde te borgen. Afwijken van de oorspronkelijke voegvorm of kleur zonder toestemming kan leiden tot stillegging van de werkzaamheden.
Hoewel een NEN-norm op zichzelf geen wet is, wordt in bestekken en bij geschillen vaak verwezen naar de NEN 3828. Deze norm omschrijft de kwaliteitseisen voor voegwerk in metselwerk. Het definieert de uitvoering, de hardheid en de duurzaamheid van de verschillende voegtypen. Voor de vakman is dit de technische meetlat.
De Arbowet stelt zeer strikte eisen aan de uitvoering van voegherstel, specifiek wat betreft de blootstelling aan kwartsstof. Tijdens het uitslijpen of uithakken van oude voegen komt een aanzienlijke hoeveelheid fijnstof vrij. Werkgevers zijn verplicht om bronafzuiging op de gereedschappen toe te passen of te werken met natte technieken. Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn slechts de laatste verdedigingslinie. Het niet naleven van deze stofbeheersingsregels kan resulteren in directe boetes van de Nederlandse Arbeidsinspectie.
Baksteen en kalk. Een eeuwenoud huwelijk. Vroeger was voegherstel geen onderdeel van een strakke onderhoudscyclus, maar een noodzakelijke reactie op natuurlijke verwering. Kalkmortels vormden de standaard. Ze waren elastisch. Ze ademden. Tot de opkomst van Portlandcement in de negentiende eeuw de bouwsector op zijn kop zette. Ineens moest alles harder. Sneller. Onwrikbaar. Deze verschuiving bleek een technisch mijnenveld; de nieuwe, starre cementvoegen waren vaak sterker dan de omringende bakstenen, wat bij historische panden leidde tot kapotgedrukte steenkoppen door thermische spanningen.
Status bepaalde het straatbeeld. In de achttiende en negentiende eeuw was de knip- en snijvoeg het summum van vakmanschap. Bedoeld om onregelmatigheden in handvormstenen te maskeren. Het was een optische illusie van perfectie. Na de Tweede Wereldoorlog verschoof de focus drastisch naar efficiëntie en massaproductie. De platvolle voeg werd de pragmatische norm voor de wederopbouw. Snelheid boven decoratie.
Mechanisatie volgde pas laat. Waar de voeger decennialang uitsluitend met de handbeitel en hamer de voegen uitstak, deed de haakse slijper zijn intrede in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Een enorme productiviteitssprong. Maar het introduceerde ook het kwartsstofprobleem dat de moderne regelgeving vandaag de dag domineert. Wat begon als een puur ambachtelijke handeling om de gevel te verfraaien, is geëvolueerd naar een complexe technische discipline waarbij materiaalkennis en stofbeheersing centraal staan. De geschiedenis van voegherstel is daarmee vooral de geschiedenis van de zoektocht naar de juiste balans tussen hardheid en flexibiliteit.