Het proces vangt aan bij het vervezelen van houtsnippers in een refiner onder hoge stoomdruk. Deze minuscule vezels vormen de fundering van het eindproduct. Bij de natte productiemethode fungeert water als transportmiddel waarbij de pulp op een zeefband wordt gespoten om geleidelijk te ontwateren. Hierdoor ontstaat een viltachtige mat. De natuurlijke kleefkracht van lignine zorgt in dit stadium voor de binding terwijl de mat door een hete pers gaat. Meestal zonder toegevoegde lijmstoffen. Daarentegen verloopt de droge methode via een traject waarbij droge vezels met kunstharslijmen worden vermengd voordat ze als een volumineus tapijt de continu-pers in gaan. De druk transformeert de massa. De plaat verdicht.
Na het persen volgt een rustfase in een sterrenwielkoeler; dit is noodzakelijk om thermische spanningen te minimaliseren en latere vervorming te voorkomen. Het oppervlak ondergaat daarna een kalibratieproces waarbij breedbandschuurmachines de plaat op de exacte dikte brengen en een gladde textuur realiseren. Maatvoering gebeurt tenslotte op computergestuurde zaagstraten. Voor specifieke toepassingen worden de randen direct afgedicht of krijgt het oppervlak een nabehandeling met een primer.
Een timmerman freest een complex sierprofiel in een vensterbank van MDF. De randen blijven messcherp. Geen splinters of uitbraak, zoals bij spaanplaat wel zou gebeuren. Na het gronden en aflakken ontstaat een spiegelglad oppervlak. De fijne vezelstructuur maakt dit mogelijk.
Kijk naar de achterwand van een standaard kledingkast. Je ziet een dunne, buigzame plaat. De ene kant is glad en vaak voorzien van een houtprint, de andere kant voelt ruw aan met een wafelstructuur. Dit is hardboard. Het houdt de kast haaks zonder extra gewicht toe te voegen. Effectief. Functioneel.
In een renovatieproject worden groene, zachte platen op een houten ondervloer gelegd. Ze veren mee onder de voetstap. Ze egaliseren kleine oneffenheden en dempen het loopgeluid voor de onderburen. Dit zachtboard wordt door de doe-het-zelver ook vaak hergebruikt als simpel prikbord in de werkkamer; de vezels klemmen de punaise moeiteloos vast.
De kern van een modern laminaatparket bestaat uit HDF. De klikverbinding is uiterst nauwkeurig in de plaat gefreesd. Ondanks de geringe dikte moet de plaat bestand zijn tegen de puntbelasting van naaldhakken en zware meubels, waarbij de extreme persing ervoor zorgt dat de verbinding niet uitscheurt onder spanning. De plaat geeft niet mee.
Buiten bij een dakkapel wordt een grijze, steenachtige plaat gemonteerd. Het is cementgebonden vezelplaat. De aannemer kiest dit voor de onbrandbaarheid en de ongevoeligheid voor rot in de overstekken. Het combineert de verwerkbaarheid van hout met de brute weerstand van beton. Een slimme keuze voor duurzaam onderhoud.
Bij de productie van vezelplaten, met name de drooggeperste varianten zoals MDF, worden nagenoeg altijd kunstharslijmen gebruikt. De uitstoot van formaldehyde is hierdoor aan strikte Europese regels gebonden. De norm EN 13986 fungeert als de overkoepelende standaard voor houtachtige plaatmaterialen in de bouw. Voor binnentoepassingen is de E1-klasse de wettelijke ondergrens; deze klasse garandeert een emissie die laag genoeg is om geen schadelijk binnenklimaat te creëren. Fabrikanten sorteren echter steeds vaker voor op strengere richtlijnen zoals de Duitse E05-norm of de Amerikaanse CARB2/TSCA Title VI-standaarden. Minder lijm, minder uitstoot.
Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) dicteert de brandprestaties van bouwmaterialen, waarbij de Euroklasse-indeling van A1 tot F leidend is. Standaard vezelplaat is brandbaar. Het valt doorgaans in klasse D of E. In specifieke situaties, denk aan wandafwerkingen in vluchtwegen of plafonds in publieke gebouwen, stelt het BBL hogere eisen. Hier moet vaak worden uitgeweken naar brandvertragend behandelde vezelplaten die voldoen aan klasse B-s1, d0. De rode kleurkern is hierbij vaak de visuele indicator voor inspectie, maar het bijbehorende certificaat is juridisch bindend.
Vezelplaten die een structurele functie vervullen in een bouwwerk moeten voorzien zijn van een CE-markering. Dit is geen vrijblijvend kwaliteitslabel maar een wettelijke verplichting onder de Verordening Bouwproducten (CPR). De fabrikant stelt hiervoor een Prestatieverklaring (DoP) op. Hierin staan essentiële kenmerken zoals de buigsterkte en de stijfheid onder invloed van vocht. De NEN-EN 622-serie geeft de specifieke technische eisen voor elk type vezelplaat. Gebruik van niet-gecertificeerd materiaal in de hoofddraagconstructie is simpelweg niet toegestaan. Controle op de stempeling op de plaat is daarom cruciaal tijdens de bouwuitvoering.
De oorsprong van de vezelplaat ligt in 1924 bij een toevallige ontdekking van William Mason. Hij experimenteerde met het 'ontploffen' van houtvezels onder hoge stoomdruk. Door een defect aan een afsluiter bleven de vezels te lang onder druk staan. Het resultaat was een dichte, taaie plaat waarbij de natuurlijke lignine als bindmiddel fungeerde. Dit leidde tot het wereldberoemde Masonite. Hardboard was een feit. Deze 'natte methode' domineerde de eerste helft van de 20e eeuw. Het was een logisch antwoord op de groeiende hoeveelheid houtafval in zagerijen.
In de jaren 60 volgde de volgende technische sprong. In de Verenigde Staten ontwikkelde men de droge productiemethode. Hierbij werden vezels niet langer via water, maar via luchtstromen getransporteerd. Het mengen van droge vezels met kunstharsen maakte de productie van dikkere platen mogelijk. Medium Density Fibreboard (MDF) veroverde de markt. De meubelindustrie veranderde fundamenteel. Massief hout werd waar mogelijk vervangen door dit stabiele alternatief.
Vanaf de jaren 80 verschoof de focus van mechanische eigenschappen naar chemische veiligheid. De regelgeving rondom formaldehyde-emissies dwong fabrikanten tot de ontwikkeling van nieuwe lijmsystemen. De introductie van de E1-norm markeerde een kantelpunt in de industrie. Recentere ontwikkelingen richten zich op acetylering en bio-gebaseerde bindmiddelen. Vezelplaat transformeerde van een simpel restproduct naar een hoogwaardig technologisch halffabricaat voor de moderne bouwsector.