De procedure vangt aan bij een gereinigde en licht bevochtigde V-trechter. Deze staat op een stabiel statief. Men vult het instrument in één vloeiende beweging tot de bovenrand met de te beproeven betonspecie, waarbij trillen of stampen strikt achterwege blijft omdat de test de zelfverdichtende eigenschappen moet reflecteren. Direct na het vullen wordt de bodemschuif handmatig weggetrokken. De chronometer start. De specie perst zich door de taps toelopende onderzijde naar buiten. Men stopt de tijdmeting exact op het moment dat men van bovenaf door de uitstroomopening weer licht ziet schijnen, wat de totale uitstroomtijd in seconden markeert. Vaak herhaalt men dit proces na een rustperiode van vijf minuten om te zien of de stabiliteit van de specie behouden blijft of dat er blokkades ontstaan door uitzakkend toeslagmateriaal. Een simpele handeling met grote gevolgen voor de kwaliteitscontrole. De meting visualiseert hoe de vloeibare massa zich gedraagt bij passages door dichte wapeningsnetten en complexe bekistingshoeken.
In de praktijk wordt de uitstroomtijd gebruikt om beton in te delen in viscositeitsklassen. Een uitstroomtijd korter dan acht seconden valt onder klasse V1, wat duidt op een zeer vloeibaar mengsel met een lage viscositeit. Dit stroomt overal tussendoor. Duurt het proces tussen de negen en vijfentwintig seconden? Dan spreken we van klasse V2. Deze specie is stroperiger, bezit een hogere plastische viscositeit en is beter bestand tegen ontmenging bij hoge bekistingen.
Naast de directe meting bestaat de beruchte T5-meting. Men laat de specie vijf minuten rusten in de trechter voordat de schuif opengaat. Dit is een stresstest voor de stabiliteit. Zinkt het grove toeslagmateriaal naar de bodem? De uitstroomtijd zal dan dramatisch toenemen of de uitstroomopening blokkeert volledig. Een stabiel mengsel vertoont nauwelijks verschil tussen de directe meting en de T5-meting.
Verwar de V-trechtertest niet met de Slump-flow test. De Slump-flow meet de vloeimaat, de horizontale spreiding in millimeters, terwijl de V-trechter de snelheid van die beweging kwantificeert. Het is het verschil tussen hoe ver beton komt en hoe snel het daar is. De V-trechtertest geeft informatie over de interne wrijving. Soms presteert een mengsel uitstekend op de vloeitafel, maar faalt het in de trechter door een te hoge plakkerigheid van de cementlijm.
Er is ook de L-box. Waar de V-trechter puur kijkt naar viscositeit, toetst de L-box specifiek de passing ability: het vermogen om door nauwe wapening te stromen zonder dat grindkorrels achterblijven. De trechter is eenvoudiger. Sneller. Maar de L-box is realistischer voor constructies met een extreem hoge wapeningsdichtheid. Voor mortels en grouts gebruikt men vaak conische trechters (zoals de Marsh funnel), maar voor grindhoudend zelfverdichtend beton blijft de V-vorm de standaard. De hoeken van de V dwingen de korrels namelijk tot herschikking, wat een kritisch beeld geeft van de verwerkbaarheid.
Een slanke betonkolom met een extreem dichte wapeningskorf vraagt om snelheid en souplesse. Wanneer de V-trechtertest een tijd van 5 seconden aangeeft (V1-klasse), weet de hoofduitvoerder dat de specie dun genoeg is om zonder de hulp van een trilnaald elke hoek te bereiken. De vloeibare massa moet de grindkorrels als het ware 'meeslepen' langs de stalen staven. Haperingen in de trechter vertalen zich direct naar grindnesten onderin de kolom.
In de prefab-industrie wordt de test vaak gebruikt om de exacte dosering van superplastificeerders te finetunen. Een seconde verschil in de trechter kan het onderscheid betekenen tussen een perfect gladde plaat of een dag werk aan cosmetische reparaties.
De wortels van de V-trechtertest liggen in het Japan van de late jaren tachtig. Hoogleraar Hajime Okamura van de Universiteit van Tokyo zag de kwaliteit van betonconstructies achteruitgaan. Er was een nijpend tekort aan vakbekwame arbeiders die de trilnaald correct konden hanteren. De oplossing? Een mengsel dat zichzelf verdicht onder invloed van de zwaartekracht. De traditionele zetmaatproef, decennialang de standaard voor de verwerkbaarheid van beton, faalde volledig bij dit nieuwe, vloeibare 'Self-Compacting Concrete'. Men had een instrument nodig dat niet de spreiding, maar de stromingssnelheid en de interne weerstand kon vangen. De V-vormige trechter bleek de meest effectieve geometrie om korrels te dwingen tot herschikking tijdens het uitstromen.
Rond de eeuwwisseling waaide de techniek over naar Europa. In 2002 publiceerde de organisatie EFNARC de eerste brede richtlijnen voor zelfverdichtend beton, waarin de V-trechter een prominente plek kreeg als instrument voor de dagelijkse kwaliteitsbewaking. De test transformeerde van een experimentele Japanse vinding naar een Europese standaard. In 2010 volgde de definitieve bekrachtiging in de normenreeks NEN-EN 12350. Het was een technische noodzaak. Zonder de trechtertest bleven de vloeieigenschappen van complexe mengsels met viscositeitsverhogende hulpstoffen onvoorspelbaar. Nu is het de standaard voor elk project waarbij de trilnaald op de kar blijft staan.