Het proces vangt aan bij de confrontatie tussen de theoretische lijn op tekening en de fysieke werkelijkheid op de bouwplaats. Meten. Controleren. De omvang van de maatafwijking dicteert de materiaalkeuze. Bij constructieve elementen zoals geveldragers of kolommen worden stalen of kunststof vulplaten direct op de dragende punten aangebracht om de krachtenconcentratie te sturen en het element op de juiste hoogte te fixeren. Dit gebeurt vaak puntsgewijs. De positionering luistert nauw; een millimeter verschil aan de basis vertaalt zich elders in de constructie naar grotere afwijkingen.
Bij horizontale vlakken verloopt de uitvoering diffuser. Men brengt een nivellerende tussenlaag aan die de oneffenheden in de ondergrond absorbeert. Dit kan een vloeibare mortel zijn die naar de laagste punten stroomt, of een mechanisch aangebrachte uitvullaag van korrels of lichtgewicht beton onder een afwerkvloer. In de houtskeletbouw of bij ingrijpende renovaties van kapconstructies hanteert men vaak de methode van uitstroken. Houten vulstukken of latten compenseren hierbij de doorbuiging van oude balken. Het resultaat is een zuiver vlak dat gereed is voor de eindafwerking. Geen loze ruimtes. De fixatie van de uitvulling zorgt ervoor dat deze een integraal onderdeel wordt van de totale opbouw, waarbij stabiliteit de hoogste prioriteit heeft.
Uitvulling manifesteert zich in drie hoofdvormen, afhankelijk van de aard van de krachten en de oppervlakte die gecorrigeerd moet worden. Ten eerste is er de puntsgewijze uitvulling. Hierbij maken bouwers gebruik van drukvaste vulplaten, in de volksmond vaak 'shims' of stelplaatjes genoemd. Deze zijn vervaardigd uit hoogwaardig kunststof of roestvast staal. Ze vangen de enorme druk op onder geveldragers, kolommen of zware kozijnstijlen. Een millimeter staal maakt hier het verschil tussen een zuivere krachtsafdracht en fatale puntbelasting.
Daarnaast kennen we de lijnvormige uitvulling, beter bekend als uitstroken. Dit is de ruggengraat van de renovatie. Men brengt houten regels of stroken plaatmateriaal aan op bestaande, vaak kromgetrokken balklagen om een nieuw, perfect horizontaal of verticaal vlak te creëren. Tot slot is er de vlakvormige uitvulling voor vloeren. Hierbij wordt gekozen voor gebonden varianten zoals egalisatiemortels en vloeivloeren, of ongebonden varianten zoals droge korrelvullingen. Deze laatste variant is ideaal voor monumentale panden waar gewichtsbesparing cruciaal is.
| Term | Kenmerkend verschil |
|---|---|
| Uitvulling | Correctie van maatverschillen voor een vlak resultaat. |
| Opvulling | Het louter vullen van een loze ruimte zonder stel-functie. |
| Uitvlakken | Het gladmaken van een ruw oppervlak (vaak esthetisch). |
| Ondersabelen | Het constructief vullen van de ruimte onder een voetplaat met krimpvrije mortel. |
Vaak ontstaat verwarring tussen uitvullen en ondersabelen. Hoewel beide technieken hoogteverschillen overbruggen, is ondersabelen specifiek bedoeld voor de volledige, krimpvrije ondersteuning van zwaarbelaste staalconstructies op beton. Uitvulling is breder. Het omvat ook de tijdelijke stelplaatjes die na het storten van de mortel hun primaire functie verliezen. In de afbouwfase spreekt men vaker over nivelleren, wat strikt genomen een vorm van horizontale uitvulling is om ongelijkmatige dekvloeren te corrigeren.
De wet stelt grenzen. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) eist dat een constructie de krachten deugdelijk afdraagt naar de fundering, waarbij onbedoelde spanningen door slechte passing moeten worden voorkomen. Toleranties zijn vastgelegd in NEN 2889. Dit is de bijbel voor maatafwijkingen. Als de ruwbouw buiten de marges valt, dwingt de norm tot correctie middels uitvulling om de theoretische maatvoering weer in lijn te brengen met de praktijk. Voor de afwerking van vloeren is NEN 2747 cruciaal. Deze norm classificeert de vlakheid en bepaalt of een egaliserende uitvullaag voldoet aan de functionele eisen van de eindgebruiker.
Staal op staal vereist precisie. NEN-EN 1090 schrijft dwingend voor hoe men omgaat met vulplaten in staalconstructies om de structurele integriteit te waarborgen. Je mag niet zomaar wat stapelen. De dikte en het materiaal van de uitvulling moeten corrosiebestendig zijn en mogen de vloeigrens van de hoofdpuntbelasting niet ondermijnen. Eurocode 3 vult dit aan met specifieke rekenregels voor verbindingen. Een geveldrager die zweeft op een willekeurige stapel plaatjes voldoet simpelweg niet aan de wettelijke zorgplicht voor een veilige gebouwschil. Veiligheid is immers geen keuze, maar een voorschrift.
Vroeger dicteerde de natuur de toleranties. Ruwe natuursteen en handgekapte balken kenden geen standaardmaten, waardoor uitvulling een puur ambachtelijke improvisatie was. Middeleeuwse bouwmeesters gebruikten dunne plakken lood onder zware kolomvoeten. Lood is plastisch. Het vloeit onder extreme druk en verdeelt de belasting over het onregelmatige steenoppervlak. In de traditionele houtbouw vertrouwde men op eikenhouten spieën. Handwerk. Onnauwkeurig, maar effectief voor de bouwwijzen van die tijd.
Met de industriële revolutie veranderde alles. Staalconstructies en de introductie van de standaard baksteen vereisten een hogere precisie. De toleranties krompen. Men stapte over op stalen vulplaten om de enorme krachten in fabrieks- en stationsgebouwen op te vangen. De echte versnelling vond plaats tijdens de wederopbouw na 1945. Snelheid was geboden. De opkomst van prefab beton dwong de bouwsector tot systeemoplossingen. Een betonkolom die in de fabriek is gegoten, laat zich op de bouwplaats niet meer bijschaven; de uitvulling aan de voet werd de cruciale schakel in de montageketen.
In de jaren 60 en 70 transformeerde de chemische industrie het vakgebied definitief. De introductie van kleurgecodeerde kunststof stelplaatjes verving de houten reststukjes. Geen gerommel meer met duimstokken voor een millimeter verschil. De kleur bepaalt de dikte. Geel is 1 mm, blauw is 3 mm, zwart is 5 mm. Deze standaardisatie minimaliseerde menselijke fouten op de steiger. Parallel hieraan ontstonden de moderne gietmortels en zelfnivellerende middelen. Waar vroeger een zand-cementvloer met de spaan vlak werd getrokken, zorgde de chemie nu voor een vloeibare uitvulling die de wetten van de zwaartekracht volgt. De geschiedenis van uitvulling is daarmee de geschiedenis van beheersbare precisie.