De realisatie van een lichtdoorlatend dakvlak vertrekt vanuit de interactie tussen de draagstructuur en de specifieke uitzettingscoëfficiënt van het materiaal. Bij de constructie wordt rekening gehouden met een noodzakelijk afschot, vaak minimaal 15 millimeter per strekkende meter, om stagnatie van hemelwater en versnelde vervuiling tegen te gaan. De dragers, uitgevoerd in aluminium, staal of gelamineerd hout, vormen het raster waarop de beglazingsprofielen rusten.
Rubberen oplegprofielen scheiden de platen van de harde ondergrond. Deze rubbers vangen niet alleen trillingen op, maar faciliteren ook de thermische werking; kunststoffen zoals polycarbonaat kunnen bij temperatuurwisselingen immers enkele millimeters per meter krimpen of uitzetten. Aan de kopse kanten van kanaalplaten wordt een systeem van ventilerende en afsluitende tapes toegepast. Dit beheerst het interne klimaat van de plaat en voorkomt ongewenste mosgroei of vochtophoping in de tunnels. Het vastzetten van het geheel geschiedt doorgaans met klemprofielen die de plaat gelijkmatig aandrukken zonder de structurele integriteit aan te tasten. De aansluiting bij de gevel wordt gerealiseerd met een loodvervanger of een aluminium overgangsprofiel, dat diep in de voeg wordt ingewerkt of mechanisch wordt gefixeerd tegen de achterliggende wand.
In de wereld van transparante dakbedekking bepaalt de materiaalkeuze de levensduur en de visuele beleving. Polycarbonaat is de onbetwiste marktleider vanwege zijn extreme slagvastheid. Het is nagenoeg onbreekbaar. Hagelbuien vormen geen bedreiging voor dit polymeer. Acrylaat, in de volksmond vaak Plexiglas genoemd, biedt daarentegen een superieure optische zuiverheid die glas benadert. Het vergeelt nauwelijks onder invloed van UV-straling, maar is brozer en gevoeliger voor krassen en thermische spanningen.
De structurele vorm varieert van eenvoudige enkelwandige platen tot complexe meerwandige systemen. Kanaalplaten, ook wel tunnelplaten genoemd, bestaan uit twee of meer lagen met daartussen schotten. Deze kamers vangen lucht op. Stilstaande lucht isoleert. Hoe meer wanden een plaat heeft, hoe hoger de isolatiewaarde (R-waarde), wat cruciaal is voor serres die direct aan de woning grenzen. Voor eenvoudige overkappingen, zoals een carport of een berging, volstaan vaak enkelwandige golfplaten van PVC of polyester. Deze zijn goedkoop, licht van gewicht en eenvoudig te verwerken, maar missen de thermische kwaliteiten en de strakke uitstraling van vlakke plaatmaterialen.
Transparant betekent niet altijd volledig doorzichtig. Heldere platen bieden een vrije blik op de lucht, maar kunnen in de zomer leiden tot een onaangename hitteopbouw. Het broeikaseffect is hierbij een reëel risico. Opale of melkwitte platen verspreiden het binnenvallende licht. Dit zorgt voor een egale lichtinval zonder harde schaduwen of verblinding. Bovendien maskeert de opale kleur vervuiling aan de bovenzijde, zoals bladeren of stof, wat bij een volledig doorzichtig dak direct in het oog springt.
Voor projecten waar zoninstraling een probleem vormt, bestaan er 'heat-reflector' varianten. Deze platen zijn voorzien van een specifieke coating of pigmentatie die infraroodstraling reflecteert terwijl het zichtbare licht wel wordt doorgelaten. Het verschil in binnentemperatuur kan hierdoor oplopen tot wel vijf graden Celsius ten opzichte van standaard heldere platen. Soms wordt er ook gekozen voor 'smoke' of bronskleurige uitvoeringen, wat een esthetisch warmere lichtinval geeft en de inkijk van bovenaf vermindert.
Veiligheidsglas is geen optie. Het is een plicht. Bij daktoepassingen dwingt NEN 3569 tot het gebruik van gelaagd glas om persoonlijk letsel door vallende scherven te voorkomen. Wie kiest voor kunststof, zoals polycarbonaat, krijgt te maken met de Europese brandclassificatie NEN-EN 13501-1. Het materiaal moet voldoen aan specifieke eisen wat betreft vlamuitbreiding en rookontwikkeling. Druppelvorming bij brand is een kritiek punt. Niemand wil vloeibaar brandend plastic op zijn hoofd.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) stelt harde eisen aan de daglichttoetreding van verblijfsgebieden. Transparante dakbedekking helpt bij het behalen van de minimale equivalente daglichtoppervlakte. De berekening hiervan verloopt volgens NEN 2057. Hierbij telt niet alleen het fysieke oppervlak, maar ook de reductiefactoren voor vervuiling en de hellingshoek van het dak. Een vlakker dak vangt immers meer vuil en laat daardoor minder licht door op de lange termijn.
Constructieve berekeningen mogen niet ontbreken. De Eurocodes (NEN-EN 1991-serie) dicteren de belastingen die het dak moet kunnen weerstaan. Denk aan extreme sneeuwval. Of een plotselinge windvlaag die onder een overkapping slaat. De bevestigingsmiddelen en de dikte van de platen moeten hierop afgestemd zijn. Een constructeur beoordeelt vaak of de gekozen overspanning veilig is binnen deze wettelijke kaders. Voor publieke gebouwen gelden bovendien vaak strengere regels voor doorvalbeveiliging tijdens onderhoudswerkzaamheden.
Licht van boven is geen nieuwe uitvinding. In de negentiende eeuw zorgde de komst van industrieel vervaardigd glas en gietijzer voor een revolutie, denk aan de enorme victoriaanse kassen en de legendarische stationskappen die steden transformeerden. Het was prachtig. Maar ook loodzwaar. En levensgevaarlijk bij breuk. De echte omslag voor de utiliteitsbouw en de burgerlijke woningbouw kwam pas na de Tweede Wereldoorlog toen de chemische industrie een vlucht nam. In de jaren vijftig doken de eerste technische kunststoffen op die de markt fundamenteel zouden veranderen.
Polycarbonaat en acrylaat boden opeens mogelijkheden die met glas ondenkbaar waren. Glas was zwaar. Onveilig ook. In de jaren zeventig en tachtig zag je de massale opkomst van de bekende PVC-golfplaat op schuurtjes en overkappingen. Goedkoop. Snel te monteren met een handvol bouten. Maar deze vroege kunststoffen hadden een zwakte: UV-straling maakte ze bros en ze vergeelden waar je bij stond. De sector zocht naar duurzamere oplossingen en vond die in de ontwikkeling van co-extrusie technieken, waarbij een UV-beschermlaag onlosmakelijk met de plaat werd verbonden.
De introductie van de meerwandige kanaalplaat markeerde het einde van de enkelvoudige lichtplaat als enige standaard. Lucht werd gevangen tussen dunne wandjes; isolatie werd eindelijk een factor van betekenis voor serrebouwers die meer wilden dan alleen een zomerverblijf. De laatste decennia draait de techniek vooral om beheersing. Niet alleen licht binnenlaten, maar actieve filtering van de zon. Coatings die infrarood reflecteren terwijl het zichtbare licht wel binnenvalt. De transitie van een passief gat in het dak naar een hightech component die bijdraagt aan de energieprestatie van moderne gebouwen is hiermee voltooid.