Zeker, een tempel als Chons, dat is verre geschiedenis. Toch, de bouwprincipes, die echoën nog altijd door in hedendaagse projecten, dat ziet elke ervaren projectleider direct. Soms op manieren die je pas later opvalt, naadloos geïntegreerd in de alledaagse bouw. Wat dacht je hiervan? De gelaagde aanpak, bijvoorbeeld, decennia overspannend, door opeenvolgende heersers, dat fenomeen, zie je dat niet terug in een complexe binnenstedelijke herontwikkeling? Een project dat over vele jaren uitrolt, verschillende ontwikkelaars, meerdere architecten, elk met hun eigen visie, hun eigen tijdsgeest. Het oorspronkelijke idee van een markthal wordt een wooncomplex, met daaronder nog steeds die oude fundering, die ene historische gevel die behouden moest blijven. Nieuwe lagen over oude structuren; de geschiedenis van de plek schrijf je mee, bouw je in.
En de noodzaak tot circulair bouwen, nu belangrijker dan ooit, een directe parallel naar het pragmatische hergebruik van materialen dat je daar ziet. Een aannemer die sloopmateriaal zorgvuldig demonteert, inventariseert, en vervolgens in een nieuw project, een uitbreiding van een kantoorvilla, bijvoorbeeld, weer toepast. Kozijnen hergebruikt, bakstenen gereinigd en opnieuw gemetseld. Dat is een moderne variant op het hergebruik van bouwblokken, een pragmatische aanpak, zowel financieel als ecologisch gedreven. Ingenieurs kennen dit, die afweging, tussen nieuw en oud.
Dan die oriëntatie, zo bepalend. Langs de Nijl, de zon. Een nieuw kantoorgebouw dat perfect naar het zuiden is gericht voor optimale daglichttoetreding, voor de zonnecellen op het dak, het minimaliseren van koellast. Of een jachthaven, de aanlegsteigers precies zo gepositioneerd dat ze de minste last hebben van stroming en wind. De omgeving dicteert het ontwerp. Altijd al gedaan. Nog steeds cruciaal. Architecten weten dit, uiteraard.
En bouwtechniek, constant in beweging. Je bouwt een brug over een rivier, vijftien jaar in aanbouw. De eerste fases gebruiken een bepaald type staal, een specifieke betonmix. Tegen de tijd dat de laatste secties worden gemonteerd, zijn er wellicht sterkere, duurzamere materialen beschikbaar, nieuwe methoden voor verbindingen, slimmere prefab-oplossingen. De projectmanagers moeten dan de flexibiliteit bezitten om bij te sturen, het ontwerp te optimaliseren binnen de gestelde kaders, zonder het geheel aan te tasten. Een evolutie in uitvoering. Zo werkt het nu eenmaal in de bouw.
De Tempel van Chons, in de vorm zoals wij die vandaag de dag kennen, ontleent zijn fundering aan de periode van farao Ramses III, tijdens het Nieuwe Rijk (ca. 1186–1155 v.Chr.). Hij initieerde de bouw van een aanzienlijk heiligdom, bedoeld als coherent geheel binnen het uitgestrekte Karnakcomplex. Echter, de locatie, zoals zo vaak in het oude Egypte, was geen onbeschreven blad. Archeologische onderzoeken en de vondst van oudere bouwfragmenten wijzen op de aanwezigheid van een eerdere cultusplaats, mogelijk een kleiner tempeltje of schrijn, daterend van vóór Ramses III. Dit fenomeen van 'bouwen op de schouders van voorgangers' was een gangbare praktijk. Het demonstreert een continuïteit in het gebruik van sacrale plekken, waarbij nieuwe constructies vaak de contouren of zelfs de funderingen van oudere structuren adopteerden of incorporeerden. Het was een praktijk die zowel pragmatisch als ideologisch was, een directe verbinding leggend tussen het heden en een vaak roemrijk verleden.
Na de initiële fase onder Ramses III onderging de Tempel van Chons een uitgebreide, gelaagde ontwikkeling, een getuigenis van diverse dynastieke perioden en hun heersers. Farao's zoals Ramses IV en Ramses XI voegden substantieel toe aan de structuur of voltooiden elementen die hun voorgangers onaf hadden gelaten. Deze opeenvolging van bouwfasen, soms met decennia ertussen, resulteerde in een bouwwerk dat de architectonische voorkeuren en prioriteiten van verschillende tijdperken weerspiegelt. Een bijzonder interessante fase is die onder Herihor, een hogepriester van Amon die zich aan het einde van de 20e dynastie tot farao uitriep. Zijn toevoegingen, met name aan de tempelentree, waren niet alleen een religieuze daad maar ook een politiek statement, bedoeld om zijn legitimiteit te verankeren in de gevestigde religieuze orde. Zelfs in de latere Ptolemeïsche periode, rond 220 v.Chr., liet Ptolemaeus III Euergetes nog een monumentale poort bouwen. Deze constante aanpassing en uitbreiding door opeenvolgende machthebbers maakte van de tempel een levend archief van bouwtechnieken en esthetische principes door de eeuwen heen.
De bouwhistorie van de Tempel van Chons vertelt eveneens een verhaal over de evolutie van bouwmaterialen en -technieken in het oude Egypte. Aanvankelijk domineerde kalksteen de bouw. Dit materiaal was ruimschoots lokaal voorhanden en relatief eenvoudig te bewerken met de beschikbare gereedschappen. Echter, naarmate de ambities en technische capaciteiten groeiden, verschoof de voorkeur naar zandsteen, vooral tijdens het Nieuwe Rijk. Zandsteen, met zijn superieure duurzaamheid en geschiktheid voor fijnere gravures en reliëfs, vereiste complexere logistiek. Het moest veelal over grotere afstanden getransporteerd worden, vanuit steengroeven zoals die bij Gebel el-Silsila. Deze verschuiving in materiaalgebruik had directe implicaties voor de bouwpraktijk, inclusief transportmethoden en de organisatie van de werf. Verder is de tempel een helder voorbeeld van pragmatisch materiaalhergebruik. Archeologen hebben in de funderingen en muren ‘talatat’-blokken gevonden; kleinere, standaardformaat stenen die afkomstig waren van eerdere, afgebroken tempels, vaak uit de Amarna-periode. Dit hergebruik, gedreven door efficiëntie en de beschikbaarheid van materiaal, illustreert een vroeg, maar doeltreffend, principe van circulariteit in de bouw, een methode die zelfs in de modernste bouwprojecten nog relevant is.