De staat van de ondergrond is bepalend voor de start van het proces. Beton vereist vaak een primer voor de hechting, terwijl gipsplaten direct klaar zijn voor de wapeningsbanden die de naden moeten overbruggen om latere scheurvorming op te vangen. Het aanmaken van de mortel luistert nauw; de consistentie moet precies goed zijn om niet naar beneden te druipen tijdens het opzetten. Handmatig of machinaal wordt de gipslaag tegen de constructie gewerkt. Dan begint het reien. Met lange halen wordt de massa vlak getrokken. Een nauwgezet spel tussen materiaal en tijd.
Wanneer de pleisterlaag de juiste hardheid bereikt, vindt het messen plaats waarbij de grovere onvolkomenheden worden weggesneden. Men wacht tot het oppervlak 'handdroog' aanvoelt. Daarna volgt het sponzen. Water en een sponsbord halen de fijne deeltjes naar de oppervlakte. Dit 'slib' vormt de basis voor de uiteindelijke gladheid. Met een pleisterspaan wordt dit slib in de poriën gedrukt en gladgestreken. Het resultaat is een monolithisch vlak dat na volledige uitharding en droging gereed is voor verdere afwerking zoals sauswerk.
Glad pleisterwerk voert de boventoon in de moderne architectuur. Strakke lijnen. Geen franjes. Dit type plafond vraagt om een volledige droging voordat het gesausd kan worden, wat resulteert in een spiegelglad oppervlak dat elke schaduwwerking minimaliseert. Voor wie meer dynamiek zoekt, biedt schuurwerk een traditioneel alternatief. Door de toevoeging van zilverzand aan de mortel en een specifieke draaiende beweging van de schuurspons ontstaat een subtiel schaduwspel, ook wel het vlammen-effect genoemd. Schuurwerk is vochtregulerend en droogt natuurlijk wit op, waardoor schilderwerk vaak overbodig is.
Spackspuitwerk vormt de mechanische tegenhanger. Met een spuitmachine wordt in twee gangen — de meslaag voor de vlakheid en de afkorrellaag voor de structuur — een korrelige textuur aangebracht. Het is de pragmatische keuze voor seriematige woningbouw. Snelheid en lagere kosten staan hierbij centraal, hoewel de reparatiegevoeligheid bij beschadigingen groter is dan bij glad stucwerk.
De ondergrond dicteert de materiaalkeuze. Een stucplafond op basis van stucplaten (bruin karton, ronde kanten) verschilt wezenlijk van stucwerk op standaard gipskartonplaten. Stucplaten hebben een open toplaag die de gipsmortel direct absorbeert voor een superieure hechting. Bij grijze gipsplaten is een voorbehandeling met een hechtprimer (betocontact of gronering) onvermijdelijk om te voorkomen dat de stuclaag later loslaat. In de restauratiebouw treffen we vaak nog de historische variant: stuc op riet. Hierbij dient een vlechtwerk van rietstengels als wapening voor een dikke kalkmortellaag, wat een flexibeler maar ook bewerkelijker systeem is dan de moderne gipsplaatmethode.
Verwar een gestuct plafond nooit met een spanplafond of een systeemplafond. Een stucplafond is monolithisch en onlosmakelijk verbonden met de constructie. Een spanplafond bestaat uit een strakgetrokken kunststof doek, terwijl een systeemplafond opgebouwd is uit losse plafondplaten in een zichtbaar of verdekt raster. De uitstraling is totaal anders. De massa van stucwerk draagt bovendien positief bij aan de geluidsisolatie van een verdiepingsvloer, iets wat lichte alternatieven vaak laten liggen.
Strijklicht langs de wanden. Het is de ultieme test voor de stucadoor. In een moderne villa vloeit het plafond naadloos over in de wanden, een monolithisch geheel dat rust brengt in de architectuur. Geen plinten, geen randen. Alleen puur gips. De inbouwspots liggen verzonken in het vlak; een foutmarge van millimeters is er niet.
Een landelijke keuken met een authentieke uitstraling vraagt om een andere benadering. Hier geen spiegelglad vlak. De stucadoor zet een zandhoudende mortel op en draait met een sponsbord de kenmerkende 'vlammen' in het natte gips. Dit schuurwerk geeft een subtiele schaduwwerking. Het geeft de ruimte warmte. Zeker wanneer het licht van de hanglampen laag onder het plafond door scheert, komt de textuur tot leven.
De renovatie van een oude zolderverdieping. De houten balklaag is grillig en verre van waterpas. Eerst volgt het uitvlakken met een houten of metalen regelwerk. Tegen deze constructie worden stucplaten geschroefd. Het bruine karton van de platen verdwijnt onder een laag pleisterwerk van circa 5 millimeter. De naden zijn voorzien van gaasband om de werking van de houten kap op te vangen. Het resultaat is een strak, modern plafond in een historisch jasje.
In de centrale hal van een nieuwbouwproject kiest de aannemer voor efficiëntie. Spackspuitwerk op de betonnen kanaalplaatvloeren. De machine draait op volle toeren. Eerst de meslaag om de grootste oneffenheden weg te trekken, direct gevolgd door de afkorrellaag. De fijne korrelstructuur maskeert de minuscule gaatjes in het beton en zorgt voor een uniforme uitstraling tegen een fractie van de tijd van handmatig pleisterwerk.
Brandveiligheid is geen optie; het is een harde eis. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) zijn strikte voorschriften vastgelegd voor de brandvoortplanting en rookontwikkeling van plafondafwerkingen. Gips- en kalkmortels vallen doorgaans in de hoogste onbrandbaarheidsklasse, veelal Euroklasse A1 of A2. Dit is cruciaal voor vluchtwegen en compartimentering in zowel woningbouw als utiliteitsbouw. Een stucplafond fungeert hier als een passieve brandbescherming voor de bovenliggende constructie, mits de laagdikte en aansluitingen voldoen aan de gestelde criteria.
Vlakheidstoleranties. Dat is waar de discussies op de bouwplaats vaak ontstaan. Om deze discussies voor te zijn, wordt in de sector vaak verwezen naar kwaliteitsgroepen voor stucwerk, variërend van groep 1 tot en met 6. Hoewel deze groepen geen directe wetgeving zijn, vormen ze wel de contractuele basis voor wat een opdrachtgever mag verwachten. Een plafond dat wordt afgewerkt met strijklicht vereist een hogere klasse (bijvoorbeeld klasse 1 of 2) dan een plafond in een berging. De NEN-EN 13914-2 biedt hierbij de technische richtlijnen voor het ontwerpen en aanbrengen van binnenbepleistering.
Het Arbobesluit is onverbiddelijk als het gaat om werken boven schouderhoogte. Stucadoorswerk aan plafonds is fysiek extreem zwaar. De wetgeving schrijft voor dat werkgevers de fysieke belasting moeten minimaliseren. Dit vertaalt zich in de praktijk naar de verplichting om waar mogelijk spuitmachines in te zetten in plaats van handmatige verwerking. Ook het gebruik van de juiste steigers en platformen is strikt gereguleerd om valgevaar en ergonomische overbelasting te voorkomen. Stofbeheersing tijdens het aanmaken van mortels of het schuren van droge lagen is eveneens een wettelijk kader waarbinnen de vakman moet opereren.
Van kalk naar gips. Een materiële verschuiving die eeuwen beslaat. Oorspronkelijk diende een vlechtwerk van houten latten of rietstengels als noodzakelijke drager voor dikke lagen kalkmortel. Arbeidsintensief. Langzaam drogend. De 19e-eeuwse introductie van industrieel vervaardigd gips transformeerde de verwerkingssnelheid op de bouwplaats fundamenteel. De chemische uitharding verving de trage carbonatatie van kalk.
De naoorlogse woningbouw forceerde een technische breuk. De opkomst van de stucplaat in de jaren 50 maakte de weg vrij voor de moderne, naadloze afwerking zonder de noodzaak voor zware rachelwerken. Waar men in de eeuwen daarvoor nog ornamenten en lijsten trok als teken van status, verschoof de focus in de jaren 70 en 80 radicaal naar functionaliteit en strakke massaproductie. Spackspuitwerk werd de norm. Efficiëntie verving het urenlange pleisteren met de hand. Vandaag de dag is de evolutie voltooid: de techniek is verschoven van een louter decoratieve laag naar een essentieel onderdeel van de brandveiligheid en luchtdichtheid van de gebouwschil.