Het proces vangt aan bij de kop van de baksteen. Een klak mortel, secuur aangebracht. Terwijl de metselaar de steen in de lintvoeg drukt, schuift deze zijwaarts aan om de verticale ruimte tussen de koppen volledig te vullen met specie. Overtollig materiaal puilt naar buiten. De troffel snijdt dit weg in een vloeiende beweging, waarbij de voeg direct wordt vlakgetrokken of juist voorbereid voor latere bewerkingen. Maatvoering luistert nauw; de verticale uitlijning bepaalt niet alleen het visuele ritme van het metselverband, maar ook de structurele verdeling van krachten over het geveloppervlak.
Niet elke stootvoeg wordt volledig met mortel gedicht. Open stootvoegen vormen hierop een functionele uitzondering en worden bewust opengelaten, meestal direct boven waterkerende lagen of lateien, om ventilatie van de spouw en afvoer van binnengedrongen vocht mogelijk te maken. Bij het reguliere metselwerk volgt na het aanbrengen vaak het uitkrabben van de verse mortel. Dit gebeurt op een uniforme diepte. Het creëert de noodzakelijke hechtingsoppervlakte voor de uiteindelijke voegafwerking, die in een latere fase van de bouw wordt aangebracht.
Niet elke voeg dient als lijm. De open variant functioneert als essentieel ventilatiepunt en afwateringskanaal. Men laat deze verticale openingen bewust ongevuld. Vaak zie je ze direct boven waterkerende lagen, zoals loodslabben bij lateien of ter hoogte van het maaiveld. Ze voorkomen dat vocht zich ophoopt in de spouw. De wind krijgt zo vrij spel om de achterliggende constructie droog te blazen. In de volksmond spreekt men soms over 'ventilatievoegen'. Om ongedierte buiten de deur te houden, worden deze gaten vaak voorzien van stootvoegroosters, in de bouw beter bekend als bijenbekjes.
Bij traditioneel metselwerk onderscheiden we de volledig gevulde stootvoeg van de loze voeg. De gevulde variant is de standaard; de kop van de steen wordt volledig in de specie gezet. Toch komt het voor dat voegen slechts deels gevuld worden, bijvoorbeeld bij bepaald sierverband waar dieptewerking gewenst is. Dit mag nooit ten koste gaan van de stabiliteit. Een variant hierop is de schijnvoeg. Hierbij suggereert het voegwerk een onderbreking die er constructief niet is, puur om een specifiek esthetisch ritme in de gevel te forceren.
Modern architectonisch ontwerp schuwt soms de verticale lijn. Stootvoegloos metselwerk, ook wel koud metselwerk genoemd, is hierbij de norm. De stenen worden nagenoeg tegen elkaar aan geplaatst. Er is geen zichtbare specie. Dit creëert een massief, monolithisch gevelbeeld waarbij de horizontale lijnen alle aandacht opeisen. Vaak gaat dit hand in hand met verlijmen of het gebruik van dunbedmortel.
| Type | Kenmerk | Toepassing |
|---|---|---|
| Traditioneel | Ca. 10mm breedte | Standaard baksteenbouw |
| Open voeg | Niet gevuld met mortel | Ventilatie en ontwatering |
| Stootvoegvrij | 0 tot 2mm ruimte | Lijmwerk en modern design |
| Verdiepte voeg | Mortel ligt terug | Accentueren van schaduwwerking |
Het verschil tussen een stootvoeg en een lintvoeg is simpel maar cruciaal. De lintvoeg draagt het gewicht. De stootvoeg verbindt de koppen. Waar de lintvoeg horizontaal doorloopt, verspringt de stootvoeg bijna altijd volgens het gekozen metselverband, zoals halfsteens- of wildverband. Alleen bij stapelverband staan ze strak boven elkaar. Dat is constructief risicovoller. Het vereist extra wapening in de lintvoegen om de schijfwerking van de muur te garanderen.
Een rij bakstenen boven een raamkozijn. Twee verticale openingen vallen direct op. Geen slordigheid van de metselaar, maar pure noodzaak. Hier druppelt regenwater via de loodslabbe naar buiten. Je ziet dit vaak bij zowel nieuwbouw als renovatie; de open stootvoeg als essentieel onderdeel van de waterhuishouding.
Kijk naar de onderzijde van een gevel, net boven het maaiveld. Je treft daar vaak grijze of zwarte kunststof roostertjes aan in de verticale voegen. De bekende bijenbekjes. Ze zitten in de stootvoegen om ventilatie van de spouw te garanderen terwijl ongedierte, zoals muizen en wespen, de toegang wordt ontzegd. Functioneel en herkenbaar.
In de volle zon verraadt de stootvoeg het vakmanschap van de metselaar. Een schaduwlijn die exact verticaal loopt in een halfsteensverband. Bij een modern kantoorpand zie je soms juist dat de stootvoegen precies boven elkaar staan. Stapelverband. Het oogt grafisch en strak. Geen verspringing. Het vereist uiterste precisie tijdens het stellen van de profielen.
Een minimalistische villa met een massieve uitstraling. De gevel lijkt uit één blok gehouwen. Geen verticale onderbrekingen zichtbaar. Hier is gekozen voor stootvoegloos metselwerk. De koppen van de stenen zijn koud tegen elkaar geplaatst. Geen specie. Alleen de horizontale lijnen van de lintvoegen domineren het beeld.
Tijdens een gevelinspectie bij een monumentaal pand. De voeger controleert de diepte van de stootvoegen. Vaak zijn deze door weersinvloeden meer uitgesleten dan de lintvoegen. Een kritiek punt voor de winddichtheid van de woning.
De constructieve integriteit van een gevel hangt vast aan meer dan alleen een esthetisch patroon. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) stelt dwingende eisen aan de waterdichtheid en de vochthuishouding van de gebouwschil, wat in de praktijk de noodzaak voor open stootvoegen dicteert. Geen directe opdracht voor een gat in de muur, maar wel de plicht om optrekkend en doorslaand vocht te weren. De spouw moet ventileren. Zonder deze verticale openingen voldoet een spouwmuur simpelweg niet aan de prestatie-eisen voor een gezond binnenklimaat.
Voor de stabiliteit is NEN-EN 1996, de Eurocode 6 voor constructies van metselwerk, de leidende norm. Hierin wordt vastgelegd hoe de schijfwerking van een muur wordt beïnvloed door de vullingsgraad van de stootvoegen. Een ongevulde voeg vermindert de buigtreksterkte van het metselwerk parallel aan de lintvoegen. Constructeurs moeten hier bij het ontwerp van stootvoegvrije gevels expliciet rekening mee houden. De regelgeving maakt een scherp onderscheid tussen dragende en niet-dragende elementen, waarbij de uitvoering van de stootvoeg direct invloed heeft op de toelaatbare belasting.
Kwaliteitsborging vindt plaats via de uitvoeringsrichtlijn BRL 2826. Deze beoordelingsrichtlijn specificeert hoe voegen, inclusief de stootvoegen, moeten worden behandeld tijdens en na het metselen. Denk aan de diepte van het uitkrabben en de breedtetoleranties. Voor het visuele aspect wordt vaak verwezen naar CUR-Aanbeveling 61. Deze richtlijn biedt een objectief kader voor de beoordeling van esthetische aspecten van metselwerk, zoals de uniformiteit van de voegbreedtes en het risico op 'baarden' in open stootvoegen. Onjuiste uitvoering kan leiden tot juridische geschillen over de deugdelijkheid van het geleverde werk.
In het tijdperk van massief metselwerk was de stootvoeg puur functioneel. Kalkmortel domineerde de bouwplaatsen tot diep in de negentiende eeuw. Deze mortels waren flexibel en relatief zacht. De voegen waren vaak breed en onregelmatig om de variaties in handgevormde bakstenen op te vangen. Stabiliteit kwam voort uit de dikte van de muur en het ingenieuze vlechtwerk van koppen en strekken. De stootvoeg was simpelweg de noodzakelijke sluitpost van een rij stenen.
De grote omslag vond plaats rond 1920. De introductie van de spouwmuur veranderde de status van de verticale voeg fundamenteel. Waar een muur voorheen een massieve barrière tegen vocht was, werd de gevel nu een geventileerde schil. Men ontdekte dat een volledig dichte buitenschil vocht opsloot. De open stootvoeg deed zijn intrede. Een technische noodgreep die uitgroeide tot standaardpraktijk. Aanvankelijk liet men deze voegen lukraak open, maar naarmate de kennis over bouwfysica toenam, werden locaties boven lateien en waterkerende lagen gestandaardiseerd.
De opkomst van portlandcement zorgde voor een verharding van de bouwdiscipline. Cementmortel maakte dunnere en hardere voegen mogelijk. Dit had gevolgen voor de werking van het gevelvlak. De stootvoeg verloor een deel van zijn natuurlijke elasticiteit die kalkmortel wel bood. Tegelijkertijd zorgde de mechanisering van de steenfabricage voor maatvaste producten. De voegbreedte werd een precisie-instrument. In de wederopbouwperiode lag de focus op snelheid en uniformiteit; de stootvoeg werd strak en sober uitgevoerd.
Aan het eind van de twintigste eeuw ontstond een tegenbeweging. Architecten zochten naar een monolithische uitstraling. De stootvoeg moest verdwijnen. De ontwikkeling van lijmtechnieken en dunbedmortels maakte dit mogelijk. Stootvoegloos metselwerk werd een esthetisch statement in de moderne architectuur. De verticale lijn werd geëlimineerd om de horizontale gelaagdheid of de textuur van de steen zelf te benadrukken. Wat ooit een onmisbare vulling was, werd in de moderne utiliteitsbouw vaak een bewuste afwezige.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Wienerberger | Energiebespaarders