De vervaardiging van een sectieltableau start bij de tekentafel. Een ontwerp op ware grootte. Grote platen van plastische gresklei liggen gereed, nog vochtig en bewerkbaar, waarna de ambachtsman de contouren van de voorstelling direct in het materiaal overbrengt. De snede volgt de tekening. Geen rigide ruitpatroon, maar organische fragmenten die als puzzelstukken in elkaar grijpen. Precisie is hierbij cruciaal omdat de klei tijdens het drogen en bakken aanzienlijk krimpt; een minieme afwijking zorgt ervoor dat het tableau later niet meer sluitend op de wand kan worden aangebracht.
Na de eerste ovenbrand volgt de glazuurfase. Vaak valt de keuze op matte glazuren. Deze absorberen het licht in plaats van het te weerkaatsen, wat de leesbaarheid van de voorstelling op een gevel aanzienlijk vergroot. Bij de uiteindelijke montage op de bouwplaats worden de uniek gevormde tegels in een mortelbed geplaatst. De grillige voegen die hierdoor ontstaan, doorkruisen de afbeelding niet, maar vormen een integraal onderdeel van de artistieke lijnvoering. Hierdoor worden de constructieve naden vrijwel onzichtbaar in het grotere visuele verhaal. Het tableau wordt een vast onderdeel van de architectuur.
Het onderscheid zit in de snede. Waar een standaard tegeltableau zich schikt naar het dwingende ritme van de voeg, daar dicteert de voorstelling bij sectielwerk de vorm van de drager. Men spreekt in de bouwhistorie soms abusievelijk over mozaïek. Fout. Een sectieltableau is geen verzameling willekeurige scherven, maar een technisch hoogstandje van geprefabriceerde, op maat gesneden elementen die naadloos in elkaar grijpen.
Verwarring ontstaat vaak met de cloisonné-techniek, in de bouwwereld ook wel bekend als lijnreliëf. Bij cloisonné blijven de individuele tegels vaak rechthoekig of vierkant van vorm. Opstaande kleirandjes scheiden de verschillende kleurvlakken binnen één tegel. De voeg is daar een externe factor. Bij het sectieltableau is de voeg echter de lijn zelf. De fysieke snede vormt de tekening. Geen opstaande randjes op een tegel, maar autonome keramische segmenten die samen het beeld vormen.
Hoewel de meeste historische tableaus zijn vervaardigd uit witbakkende gresklei, bestaan er significante variaties in de visuele afwerking die de toepassing bepalen:
De schaal bepaalt de technische opbouw. Monumentale geveltableaus vragen om grove, robuuste gres-segmenten die de uitzetting en krimp van een gebouwschil kunnen opvangen. Kleinschalige tableaus, bijvoorbeeld voor haardpartijen of decoratieve panelen in hallen, tonen vaak veel complexere snijlijnen met kleinere fragmenten. Hierbij nadert het werk de fijngevoeligheid van inlegwerk. De techniek blijft identiek; de uitvoering verschilt in massa en tolerantie.
In de praktijk herken je een sectieltableau direct aan het ontbreken van het dwingende ruitpatroon. Denk aan een monumentale kantoorgevel uit het begin van de twintigste eeuw waar een allegorische figuur de entree siert. Waar bij een standaard tegeltableau een voeg dwars door het gezicht van de afgebeelde persoon zou lopen, volgt de snede hier exact de kaaklijn of de plooien van een gewaad. De puzzelstukken van gresklei vallen naadloos in elkaar. Het voegwerk is aanwezig, maar werkt als een getekende contourlijn die de afbeelding versterkt in plaats van verstoort.
Een ander herkenbaar scenario is de wandafwerking in een vochtige passage of stationshal. Hier zie je vaak de matte variant. Het licht van de lantaarns of de invallende zon wordt niet hinderlijk weerkaatst, waardoor de voorstelling vanuit elke hoek scherp blijft. De robuuste, dikke scherven van het tableau liggen verzonken in de mortel. Het oogt massief. Het is geen dunne decoratieve laag, maar een wezenlijk onderdeel van de muurconstructie dat decennia aan weersinvloeden en mechanische belasting weerstaat zonder kleurverlies of vorstschade.
Bij kleinere toepassingen, zoals een decoratief paneel boven een haardpartij in een herenhuis, zie je de techniek op z'n fijnst. De segmenten zijn hier soms slechts enkele centimeters groot. Een bloemmotief wordt niet op tegels geschilderd, maar de bloemblaadjes zijn fysiek uit de klei gesneden. Het resultaat is een bijna grafische dieptewerking. Geen strakke rasters. Alleen de vloeiende lijnen van het ontwerp bepalen waar de ene kleur stopt en de andere begint.
Wie de beitel zet in een historisch sectieltableau, stuit direct op de Erfgoedwet. Het is geen vrijblijvend decoratiestuk. Vaak vormt het tableau een onlosmakelijk onderdeel van een rijks- of gemeentelijk monument. Dan gelden strikte regels. De Omgevingswet bepaalt dat wijzigingen aan de gevel van dergelijke panden vergunningsplichtig zijn. Geen uitzonderingen. De integriteit van het kunstwerk moet gewaarborgd blijven bij elke ingreep. Onbevoegde aanpassingen leiden tot sancties.
Restauratie is specialistisch vakwerk. Voor het herstel van architecturaal keramiek zijn technische eisen vastgelegd in specifieke uitvoeringsrichtlijnen. De URL 4011, opgesteld door de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM), is hier leidend. Deze richtlijn schrijft voor hoe historisch aardewerk en gres gereinigd, geconsolideerd of aangevuld moeten worden. Het doel is behoud van de oorspronkelijke substantie. De unieke snijlijnen van een sectieltableau mogen nooit verloren gaan door onoordeelkundig voegwerk of moderne lijmtechnieken die niet reversibel zijn.
Nieuwe installaties vallen onder de algemene bouwregelgeving. De mechanische stabiliteit van zware keramische elementen aan een gevel is cruciaal. Segmenten van gresklei zijn zwaar. De bevestiging moet bestand zijn tegen thermische spanningen en windbelasting. Hierbij wordt vaak gekeken naar de geldende normen voor gevelbekleding om te voorkomen dat fragmenten door veroudering van de mortel of trillingen loslaten van de constructieve wand. Veiligheid is hier geen esthetische keuze maar een harde eis.
Frustratie over het dwingende grid. Dat was de vonk. Tot eind negentiende eeuw dicteerde de vierkante tegel de gevelkunst en was er geen ontkomen aan de voeg die dwars door een portret of landschap sneed. Adolf le Comte en Heinrich Wilhelm Mauser zochten bij De Porceleyne Fles naar bevrijding van die wetmatigheid. Rond 1900 kwam de doorbraak. Het sectieltableau was geen toevalstreffer, maar een gericht antwoord op de opkomende Art Nouveau. De markt eiste vloeiende, organische lijnen die niet werden gehinderd door een rigide ruitpatroon. De voeg moest de bondgenoot van de kunstenaar worden, niet de vijand.
Techniek volgde esthetiek. Gewone aardewerktegels faalden in de buitenlucht door vorstschade; hun poreuze structuur was fataal in het Nederlandse klimaat. De overstap naar witbakkende gres was essentieel voor de architecturale integratie. Dit materiaal, zwaarder en harder gebakken dan traditioneel plateel, vereiste een nieuwe benadering van krimpbeheersing. Elke snede in de vochtige klei moest rekening houden met de significante verkleining in de oven. Een keramische puzzel die op de tekentafel al exact moest kloppen. Na de Eerste Wereldoorlog verschoof de toepassing van weelderige Art Nouveau naar strakkere, monumentale vormen in de architectuur van de jaren twintig. De arbeidsintensiviteit bleef echter de achilleshiel. Na 1945 werd de techniek zeldzamer. Te duur voor de snelle wederopbouw. Wat resteert in onze binnensteden is een beperkt maar robuust oeuvre van technische meesterwerken die de tand des tijds in de gevel moeiteloos hebben doorstaan.