De aanleiding voor wat bekend werd als schortjesarchitectuur was dikwijls van externe aard: het goedkeuringsproces. De Schoonheidscommissie, een invloedrijke factor in die periode, beoordeelde bouwplannen voornamelijk op de esthetiek van de voorgevel. Dit werkte in de hand dat architecten zich primair richtten op dit ene, representatieve aspect, wetende dat een fraaie façade de goedkeuring kon versnellen. De interne plattegronden, de achtergevels en de constructieve uitwerking werden vervolgens regelmatig door andere partijen ingevuld, zonder een overkoepelende visie op het gehele gebouw.
De effecten waren merkbaar, zeker voor de bewoners en de functionaliteit van de panden. Een logische, efficiënte indeling van de woonruimtes? Die verdween vaak naar de achtergrond. De voorgevel fungeerde hierdoor veelal als een autonoom esthetisch element, een ‘schort’ dat als het ware over een minder doordacht bouwwerk was gedrapeerd. Er ontstond een duidelijke discrepantie tussen de uiterlijke presentatie en de interne, constructieve realiteit. Het gevolg was een architectuur die weliswaar voldeed aan de eisen voor het straatbeeld, maar waarin de integraliteit van ontwerp en functionaliteit ondergeschikt raakte.
De term 'Schortjesarchitectuur' is in essentie geen formele stijlclassificatie. Het is veelmeer een kritische kwalificatie, geboren uit een specifieke architectuurstroming met een fundamenteel andere visie. Een geuzennaam? Misschien. Maar vaker werd het denigrerend gebruikt om een praktijk te beschrijven die men als oppervlakkig ervoer.
Waar de benaming precies op doelde, was de ogenschijnlijke discrepantie tussen een zorgvuldig, vaak rijk gedetailleerd gevelontwerp en de interne structuur die daarachter schuilging. De gevel fungeerde hierbij als een autonoom esthetisch element, een ‘schort’ dat over een gebouw werd gedrapeerd, vaak zonder diepgaande correlatie met de indeling of functionaliteit van de achterliggende ruimtes.
Deze benadering staat in schril contrast met wat men een integrale bouwfilosofie zou noemen. Binnen een integrale benadering is er een onlosmakelijke eenheid tussen vorm, functie, constructie en materialisatie. Elk aspect, van de plattegrond tot het dakdetail, draagt bij aan het totale concept. Bij 'Schortjesarchitectuur' werd deze eenheid doorbroken, waarbij de externe esthetiek de interne logica van het gebouw overschaduwde of zelfs negeerde. Het was de Nieuwe Zakelijkheid die dit contrast scherp aanstipte, als expliciete kritiek op delen van de Amsterdamse School architectuur die men als te decoratief of te weinig functioneel ervoer.
De ontwikkeling van schortjesarchitectuur, hoe kritisch ook benoemd, stond niet los van de toenmalige bouwregelgeving en de uitvoerende instanties. Een prominente rol hierin speelde de Schoonheidscommissie, een orgaan dat door gemeenten in het leven geroepen werd, veelal onder invloed van de Woningwet. Deze commissies hadden de bevoegdheid bouwplannen esthetisch te toetsen. Het mandaat was duidelijk: het waarborgen van de architectonische kwaliteit en harmonie in het straatbeeld.
De concrete invloed op de bouwpraktijk was significant. Architecten wisten dat hun ontwerpen, met name de voorgevels, aan de strenge blik van deze commissies onderhevig waren. Dit stimuleerde een praktijk waarbij de esthetische presentatie aan de straatzijde prioriteit kreeg, niet zelden om de goedkeuringsprocedure te bespoedigen. Interne functionaliteit of de uitwerking van minder zichtbare gevels bleef hierdoor soms buiten het primaire beoordelingskader, wat de discrepantie tussen exterieur en interieur, typerend voor schortjesarchitectuur, mede verklaart.