De vaststelling van de schijnbare volumieke massa geschiedt doorgaans door de verhouding tussen de massa van een geconditioneerd proefstuk en het uiterlijke volume ervan nauwkeurig te berekenen. Het proces begint vaak bij de droogstoof. Hierin wordt het materiaal tot een constante massa gedroogd om de invloed van wisselende vochtgehaltes volledig uit te sluiten. Massa is immers variabel bij hygroscopische bouwmaterialen. Bij geometrisch regelmatige objecten, zoals een strak gezaagde baksteen of een houten balk, volstaat een directe meting van de buitenmaten. Schuifmaat of meetlint. De berekening volgt direct uit de lengte, breedte en hoogte.
Voor materialen met een onregelmatige vorm of een grillige structuur wordt veelal uitgeweken naar de hydrostatische weegmethode. Men maakt gebruik van de wet van Archimedes. Het proefstuk wordt ondergedompeld in een vloeistof, waarbij de volumeverplaatsing de maatstaf vormt voor het totale volume inclusief de inwendige holten. Soms krijgt het monster een flinterdunne paraffinecoating. Dit voorkomt dat de vloeistof in de open poriën dringt, wat de meting zou vervalsen. De schijnbare volumieke massa representeert immers het volume van het materiaal én de aanwezige lucht. Een simpele deling van de droge massa door het verplaatste volume leidt uiteindelijk tot de definitieve waarde in kg/m³.
Stel je een pallet met geperforeerde metselbakstenen voor. De metselaar ziet de gaten. De constructeur ziet lucht. Ondanks die perforaties blijft het uiterlijke volume van de steen exact gelijk aan dat van een massieve variant, maar de schijnbare volumieke massa duikt omlaag. Dit is cruciaal. Bij het berekenen van het totaalgewicht van een gevel telt elk gat mee als gewichtloos volume. Een gevel van massieve stenen zou de fundering immers veel zwaarder belasten dan deze geperforeerde versie. De schijnbare massa vertelt hier het eerlijke verhaal van de belasting.
In de utiliteitsbouw wordt vaak geëxpandeerde kleikorrel gebruikt voor vloerisolatie. Kleine korrels, maar vol met interne poriën. Als je een bigbag vult met deze korrels, is de schijnbare volumieke massa laag. Veel lager dan bij gewoon grind. De kraanmachinist tilt een volle zak moeiteloos op, terwijl een identieke zak met rivierzand de machine op zijn limiet brengt. Het volume is gelijk. De massa niet. De ingesloten lucht in de kleikorrels bepaalt direct hoeveel zakken er in één hijsbeweging naar de tiende verdieping kunnen.
Twee blokken op de bouwplaats. Beiden dertig bij dertig centimeter. Het ene is gestort beton, het andere cellenbeton. Het oog ziet twee identieke kubussen. De weegschaal niet. In het cellenbeton zitten miljoenen microscopische belletjes gevangen die meetellen voor het volume, maar niets toevoegen aan de massa. De schijnbare volumieke massa van het cellenbeton is hierdoor een fractie van die van het normale beton. Dit maakt het materiaal uitermate geschikt voor renovaties waarbij de bestaande constructie geen zware extra belasting kan dragen.
Een kuub los gestort zand in een bekisting. De korrels liggen willekeurig over elkaar heen. Tussen elke korrel zit een holte gevuld met lucht. De schijnbare volumieke massa is op dat moment relatief laag. Zodra de trilplaat eroverheen gaat, ontsnapt de lucht en schuiven de korrels in elkaar. De massa zand blijft gelijk. Het volume neemt af. Het resultaat is een hogere schijnbare volumieke massa, wat essentieel is voor de stabiliteit van de uiteindelijke bestrating.
Geen constructie zonder harde cijfers. Voor de constructeur is de schijnbare volumieke massa niet louter een theoretisch gegeven, maar een wettelijk verankerde parameter die cruciaal is voor het voldoen aan de fundamentele veiligheidseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. NEN-EN 1991-1-1 vormt hierbij de leidraad. Deze norm specificeert de volumieke gewichten van bouwmaterialen en opgeslagen stoffen, zodat de permanente belasting op de fundering en de dragende muren op een uniforme wijze wordt bepaald. Fabrikanten moeten leveren. In de Prestatieverklaring (DoP) onder de Europese Verordening Bouwproducten is de schijnbare volumieke massa vaak een verplicht kenmerk.
Specifieke meetnormen zoals NEN-EN 772-13 voor metselstenen schrijven de exacte bepalingsmethode voor om marktbrede vergelijking mogelijk te maken. Het gaat hier niet om een vrijblijvende schatting. De wet eist reproduceerbaarheid. Wanneer een constructie niet voldoet aan de sterkte-eisen door een onjuist ingeschat eigen gewicht, vormt de officieel gedeclareerde schijnbare volumieke massa de juridische toetssteen voor de bewijsvoering. Massa is verantwoordelijkheid.
De wortels van de schijnbare volumieke massa liggen bij de wet van Archimedes. Waterverplaatsing was de sleutel. Eeuwenlang bleef de bouwpraktijk echter steken bij een grove benadering van massa. Een eikenhouten balk woog wat hij woog en een natuursteen was massief. Punt. Pas met de opkomst van de industriële baksteenproductie in de negentiende eeuw veranderde het speelveld. De introductie van strengpersen maakte het mogelijk om doelbewust holten in stenen aan te brengen. De lucht werd een constructief element. Plotseling volstond het niet meer om alleen naar het soortelijk gewicht van de klei te kijken.
Ingenieurs kregen te maken met een nieuw fenomeen: de baksteen die lichter was dan zijn volume suggereerde. In de vroege twintigste eeuw ontstond de noodzaak voor standaardisatie. Grotere bouwwerken vereisten exactere funderingsberekeningen. Men kon niet langer gokken op de belasting van duizenden gevelstenen. De overgang van ambachtelijke vuistregels naar de vroege NEN-normen in Nederland markeerde de definitieve splitsing tussen de absolute massa van het materiaal en de schijnbare massa van het object. Met de uitvinding van cellenbeton in de jaren '20 van de vorige eeuw bereikte deze ontwikkeling een hoogtepunt. Lucht werd een hoofdbestanddeel. De schijnbare volumieke massa verschoof van een toevallige eigenschap naar een nauwkeurig gestuurde ontwerpvariabele. Wat vroeger een 'steen' was, werd een technisch geoptimaliseerd volume vol gecontroleerde poriën.