Scheurinjectie

Laatst bijgewerkt: 14-01-2026


Definitie

Het onder druk inbrengen van vloeibare herstelmaterialen in scheuren of holle ruimtes van constructieve bouwdelen om de technische integriteit te herstellen of lekkages te stoppen.

Omschrijving

Geen enkel betonwerk is op termijn volledig vrij van scheuren, maar de ernst van de schade bepaalt de noodzaak tot ingrijpen. Scheurinjectie is een specialistische techniek waarbij men vloeistoffen zoals epoxy of polyurethaan diep in de kern van het materiaal perst om de duurzaamheid te waarborgen. De keuze voor injectie hangt nauw samen met de aard van de scheur: is deze statisch of 'levend' door thermische spanningen? Zonder een correcte diagnose is injecteren slechts symptoombestrijding. Bij gewapend beton is het primaire doel vaak het passiveren van de wapening door de toegangswegen voor zuurstof en chloriden hermetisch af te sluiten, waardoor betonrot wordt voorkomen. De methode wordt zowel in de woningbouw als bij infrastructurele kunstwerken zoals tunnels en bruggen toegepast.

Uitvoering en methodiek in de praktijk

Voorbereiding en boorwerk

De uitvoering start met het nauwkeurig lokaliseren van het scheurverloop. Men boort gaten onder een hoek van circa 45 graden ten opzichte van het betonoppervlak. Deze boorgaten moeten de scheur in het midden van de constructiedikte kruisen voor een optimale vulling. De afstand tussen de gaten varieert. Vaak hanteert men de halve wanddikte als interval. Stof en gruis worden uit de boorgaten verwijderd om de doorgang niet te belemmeren.

Plaatsing van packers en oppervlakteafdichting

In de boorgaten worden injectiepackers, ook wel injectienippels genoemd, vastgezet. Deze dienen als koppelstuk voor de injectieslang. Om te voorkomen dat de injectievloeistof tijdens het proces ongecontroleerd uit de scheurmond wegvloeit, wordt de scheur aan de buitenzijde afgeplakt of dichtgezet met een sneldrogende reparatiemortel of pasta. Dit dichtsmeren waarborgt dat de opgebouwde druk de vloeistof diep in de constructie perst.

Het injectieproces

De eigenlijke injectie begint meestal bij de laagst gelegen nippel. Men pompt de vloeistof onder gecontroleerde druk in de constructie. De druk loopt op. Zodra de hars bij de naastgelegen of bovenliggende packer naar buiten komt, is dat het teken dat dit segment verzadigd is. De pomp wordt verplaatst. Dit proces herhaalt zich stapsgewijs langs het gehele scheurverloop. Bij zeer fijne scheuren is geduld cruciaal; de vloeistof heeft tijd nodig om in de kleinste poriën door te dringen.

Afwerking

Na uitharding van het injectiemateriaal worden de packers verwijderd. De boorgaten worden vervolgens weer gedicht met een passende reparatiemortel. De tijdelijke afdichting aan de buitenzijde wordt, indien nodig voor het esthetische resultaat, vlak geslepen of verwijderd, zodat de constructie weer een egaal aanzicht krijgt.


Functionele varianten en materiaalkeuze

Krachtoverbrengende versus afdichtende injectie

De keuze voor een specifieke methode valt of staat bij de functie van de herstelde constructie. Bij een krachtoverbrengende injectie, ook wel constructief herstel genoemd, is het doel de oorspronkelijke sterkte van het beton te benaderen. Men gebruikt hier nagenoeg altijd epoxyharsen (EP). Deze harsen harden bros-hard uit en hebben een treksterkte die vaak hoger ligt dan die van het beton zelf. De scheur wordt een starre verbinding. Daartegenover staat de waterafdichtende of elastische injectie. Hier is de scheur vaak 'levend'; hij werkt door temperatuurschommelingen of wisselende belastingen. Een starre epoxy zou hier direct opnieuw scheuren. Men kiest dan voor polyurethaan (PUR), dat flexibel blijft en de bewegingen van de constructie opvangt zonder de hechting te verliezen.

Harsen en gels

Polyurethaan kent twee gezichten in de praktijk. Bij actieve lekkages onder hoge druk zet men vaak een snelreagerend, schuimend PUR-injectiemateriaal in. Dit materiaal reageert met water en expandeert explosief om het lek onmiddellijk te dichten. Is de waterstroom gestopt? Dan volgt vaak een tweede injectie met een massief, niet-schuimend PU-hars voor de definitieve, duurzame afdichting. Voor zeer fijnmazige scheurnetwerken of het injecteren achter een constructie (scherminjectie) worden acrylaatgels gebruikt. Deze vloeistoffen zijn nagenoeg zo dun als water. Ze dringen door tot in de kleinste capillairen waar dikkere harsen simpelweg niet kunnen komen.

Cementgebonden injectiesystemen

Niet alles draait om kunsthars. Bij grotere holle ruimtes, funderingsherstel of brede scheuren in historisch metselwerk grijpt men terug op cementgebonden middelen. Microcementen of injectiemortels zijn hier de standaard. Deze materialen zijn minerale suspensies met een extreem kleine korrelgrootte. Ze zijn compatibel met de bestaande minerale ondergrond en bieden een stabiele vulling voor volumineuze defecten waarbij harsen te kostbaar of technisch ongeschikt zouden zijn. Soms voegt men additieven toe om de krimp te minimaliseren. De keuze tussen lagedruk- en hogedruk-injectie hangt vervolgens weer af van de porositeit van het materiaal en de diepte van de scheur.


Praktijkscenario's voor scheurinjectie

Stel je een parkeerkelder voor waar grondwater via een verticale haarscheur naar binnen sijpelt. De wand is nat. Hier werkt een standaard reparatiemortel niet. De technicus plaatst boorpackers om de 20 centimeter, verspringend langs de scheur. Een vloeibare, reactieve PUR-hars wordt ingespoten. Binnen seconden reageert het materiaal met het aanwezige water en vormt een waterdichte barrière. Het lek is direct dicht.

Bij een constructieve ingreep in een viaduct is het beeld anders. Hier draait het om stijfheid. Een epoxy-injectie herstelt de samenhang van het beton. De hars vloeit in de fijnste vertakkingen. Na uitharding is de verbinding vaak sterker dan het omliggende beton zelf. Geen beweging meer mogelijk. De constructie is weer een monoliet.

In historische kerkmuren zie je vaak grote holle ruimtes achter het metselwerk. Kunstharsen zijn dan te duur en bovendien chemisch niet compatibel met de oude kalkmortels. De restaurateur kiest hier voor een minerale injectiemortel op basis van microcement. De vloeistof vult de holtes op zonder de ademende werking van de oude muur te verstoren. Een subtiele, bijna onzichtbare oplossing voor een massief technisch probleem.

Typische toepassingen per situatie

SituatieMateriaaltypeKenmerk
Lekkende keldermuurPolyurethaan (PUR)Expandeert bij contact met water
Gescheurde draagbalkEpoxyhars (EP)Starre, constructieve verbinding
Monumentaal metselwerkMicrocementMinerale compatibiliteit
Werkende vloernaadElastische PUR-harsBlijvend flexibel bij beweging

Europese normen en CE-markering

De NEN-EN 1504-5 vormt de ruggengraat voor alles wat met scheurinjectie in beton te maken heeft. Deze norm stelt strikte eisen aan de prestaties van injectieproducten. Niet elke hars mag zomaar in een scheur gepompt worden. Fabrikanten moeten aantonen dat hun vloeistoffen voldoen aan criteria voor viscositeit, volumeverandering en hechtsterkte onder specifieke omgevingscondities. Een CE-markering op de verpakking is hierbij verplicht. Het is het enige bewijs dat het materiaal geschikt is voor constructieve doeleinden of waterafdichting binnen de Europese markt. Zonder deze certificering is de juridische basis bij schadegevallen flinterdun. De norm maakt bovendien onderscheid tussen verschillende toepassingsgebieden: krachtoverbrengend (U), flexibel (S) of zwellend (W).


Constructieve veiligheid en het BBL

In Nederland dicteert het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL) de minimale prestatie-eisen voor constructieve veiligheid. Een gescheurd betonwerk dat niet meer aan deze eisen voldoet, moet worden hersteld. De techniek van scheurinjectie wordt hierbij vaak ingezet om de theoretische rekenwaarde van een constructie weer in lijn te brengen met de NEN-EN 1992 (Eurocode 2). Het gaat niet alleen om cosmetica. De herstelde constructie moet weer een monoliet vormen die de rekenkundige belastingen kan dragen. Constructeurs eisen bij kritieke ingrepen vaak een uitvoeringsprotocol dat gebaseerd is op deze normen, waarbij de controle op de vullingsgraad een essentieel onderdeel is van de kwaliteitsborging.


Arbo en chemische veiligheid

Werken met injectieharsen is niet zonder risico. De Arbowetgeving stelt scherpe eisen aan de omgang met gevaarlijke stoffen zoals epoxies en isocyanaten (in PUR-harsen). Deze stoffen staan bekend om hun sensibiliserende eigenschappen. Een allergie is zo opgebouwd. Werkgevers moeten zorgen voor adequate persoonlijke beschermingsmiddelen en training. Ook de Europese REACH-verordening is relevant. Sinds augustus 2023 geldt er een specifieke trainingsverplichting voor het veilig werken met diisocyanaten. Dit raakt de dagelijkse praktijk van de injecteur direct. Geen certificaat betekent officieel niet meer mogen werken met de meeste polyurethaanharsen. Het veiligheidsinformatieblad (SDS) van het product is hierbij de leidraad voor de inrichting van de werkplek.


Historische ontwikkeling

Vroegere herstelmethoden waren rudimentair. Men vertrouwde op zwaartekracht. Dunne cementslurry werd handmatig in brede scheuren gegoten. De vullingsgraad was onvoorspelbaar. Krimp vormde een constant probleem. In de jaren 50 en 60 vond een technische revolutie plaats door de opkomst van de chemische industrie. Synthetische harsen deden hun intrede. Epoxy bood plotseling de mogelijkheid om constructieve samenhang te herstellen; de lijmkracht overtrof vaak de treksterkte van het beton zelf.

De jaren 70 markeerden de doorbraak van polyurethaan, gedreven door complexe infrastructurele projecten zoals tunnels en metrostelsels. Hier volstond een starre verbinding niet. Men had behoefte aan materialen die reageerden met instromend water. De apparatuur evolueerde mee. Van handmatige vetspuiten naar computergestuurde hogedrukpompen. De techniek verschoof van oppervlakkig dichtsmeren naar diepte-injectie via mechanische packers. In de jaren 90 werden de systemen verder verfijnd met de introductie van microcementen en acrylaatgels. Hierdoor werden ook haarscheuren en monumentaal metselwerk behandelbaar zonder de oorspronkelijke structuur te belasten. Wat begon als pragmatisch dichtzetten, groeide uit tot een wetenschappelijk onderbouwde hersteldiscipline.


Gebruikte bronnen: