Riolering is niet zomaar één systeem; het kent diverse verschijningsvormen, elk met zijn eigen specifieke toepassing en kenmerken. De meest fundamentele onderverdeling heeft te maken met de manier waarop afvalwater en hemelwater worden verwerkt, een direct gevolg van decennia aan stedelijke ontwikkeling en milieubeleid.
Denk aan het gemengd stelsel. Dit is de oudste vorm, waarbij afvalwater uit woningen en bedrijven, én regenwater van daken en straten, via één buizenstelsel wordt afgevoerd. Simpel, ja, maar met een nadeel: bij hevige regen kan het riool overstorten, en dan komt al het water, inclusief afvalwater, onbehandeld in oppervlaktewater terecht. Geen ideale situatie.
Dan het gescheiden stelsel. Hier wordt bewust gekozen voor twee aparte leidingnetten: één voor het vuile afvalwater (de zogeheten Droog Weer Afvoer of DWA) en één voor het relatief schone hemelwater (de Regen Water Afvoer of RWA). Het afvalwater gaat naar de zuivering, het hemelwater – mits voldoende schoon – direct naar een sloot of rivier. Veel efficiënter, minder belasting voor de zuiveringsinstallaties. Een stap verder is het verbeterd gescheiden stelsel, waar het regenwater vaak lokaal wordt geïnfiltreerd of tijdelijk wordt opgevangen in wadi’s of infiltratiekratten, nog voordat het eventueel naar oppervlaktewater stroomt. Dat helpt verdroging tegen te gaan en piekafvoeren te dempen, slim bedacht.
Naast de scheiding van waterstromen onderscheiden we riolering ook op basis van de transportmethode. De meest voorkomende is vrijvervalriolering; het spreekt voor zich, water stroomt onder invloed van de zwaartekracht door licht aflopende buizen. Werkt uitstekend, mits er voldoende hoogteverschil is. Waar dat ontbreekt, in vlakke gebieden bijvoorbeeld, biedt drukriolering uitkomst. Hier transporteren pompen het afvalwater onder druk door kleinere leidingen. Minder vaak zien we vacuümriolering, die met behulp van onderdruk werkt, vooral in specifieke landelijke gebieden waar grote afstanden overbrugd moeten worden.
En dan nog even dit: verwar riolering niet met drainage. Hoewel beide systemen ondergronds water afvoeren, dienen ze heel verschillende doelen. Riolering is er voor afval- en hemelwater van bebouwde omgevingen. Drainage? Dat richt zich op grondwater, puur om wateroverlast in de bodem te voorkomen of om grondwaterstanden te beheersen, bijvoorbeeld onder funderingen of in landbouwgebieden. Twee verschillende werelden, maar beide cruciaal voor een functionele leefomgeving.
Hoe vertaalt de theorie over rioleringssystemen zich naar onze dagelijkse omgeving? Enkele concrete situaties verduidelijken de toepassing.
De aanleg, het beheer, en onderhoud van rioleringsstelsels in Nederland is strak gereguleerd. Een complex geheel van wetten, besluiten en normen. Centraal staat de Omgevingswet, die sinds 1 januari 2024 diverse eerdere wetten, waaronder delen van de Waterwet, heeft gebundeld. Zij vormt nu de basis voor de fysieke leefomgeving.
Binnen de Omgevingswet is het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) relevant. Hierin staan de technische voorschriften voor bouwwerken, waaronder eisen aan de binnenhuisriolering en de aansluiting op het gemeentelijk riool. Denk aan diameters, materiaaleisen en de aanwezigheid van ontspanningsleidingen.
Voor de lozing van afvalwater en hemelwater vanuit inrichtingen en vanuit de publieke riolering zelf, is het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) van toepassing. Dit besluit bevat de regels voor milieubelastende activiteiten. Expliciet vastgelegd zijn hier de normen waaraan geloosd water moet voldoen en de voorwaarden voor afvoer naar het riool of oppervlaktewater.
De wet legt ook de zogenaamde 'gemeentelijke watertaken' vast. Een belangrijke taak. Gemeenten zijn wettelijk verplicht om een openbaar rioolstelsel in stand te houden en te beheren, en moeten zorgdragen voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater. Ook het hemelwaterbeleid, inclusief het voorkomen van wateroverlast en het tegengaan van verdroging, valt onder deze verantwoordelijkheid. Dit vertaalt zich vaak in een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP), waarin de gemeente voor een periode van vier jaar haar beleid en maatregelen vastlegt. Dit plan is cruciaal voor de planning van investeringen en onderhoud.
En dan zijn er nog de NEN-normen, hoewel geen wetten, geven ze wel de algemeen aanvaarde stand der techniek weer. Deze normen specificeren bijvoorbeeld eisen aan rioolbuizen, putten en de manier van aanleg. Ze worden vaak impliciet of expliciet genoemd in bestekken en vergunningen.
De wortels van een georganiseerde afvoer van afvalwater reiken ver terug, al waren vroege beschavingen als de Romeinen en Mesopotamiërs vooral bedreven in het aanleggen van waterleidingen en drainage. Het moderne concept van riolering, zoals wij dat kennen, met gesloten systemen voor sanitaire doeleinden, ontstond echter veel later, noodgedwongen door de snelgroeiende steden tijdens de industriële revolutie. Daar, waar mensen dicht op elkaar leefden, met open goten en beerputten als primaire afvoer, waren cholera-epidemieën en andere ziekten aan de orde van de dag. De lucht was ondraaglijk, de waterbronnen werden besmet; een oplossing drong zich op.
De 19e eeuw markeerde een keerpunt. Grote Europese steden zoals Londen en Parijs investeerden als eersten in omvangrijke, ondergrondse rioolstelsels. Deze projecten waren revolutionair, ze legden de basis voor moderne stadsplanning en volksgezondheid. In Nederland volgde Amsterdam dit voorbeeld eind 19e eeuw, de stad begon met de aanleg van een gecentraliseerd rioleringsnetwerk. Vanaf dat moment was het gedaan met de notoire stinkende grachten. In eerste instantie veelal als gemengd stelsel, waar hemelwater en afvalwater nog door één buis werden afgevoerd.
De 20e eeuw bracht verdere uitbreiding en professionalisering. De aanleg van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI's) vanaf de jaren '60 was een gamechanger; hierdoor kon afvalwater gezuiverd worden voordat het in oppervlaktewater terechtkwam. Deze ontwikkeling versnelde de transitie naar gescheiden stelsels, want het was nu ineens logisch om schoon regenwater niet onnodig naar de zuivering te sturen. Het bespaarde energie en kosten. Gemeenten kregen daarbij een steeds prominentere rol in de aanleg, beheer en onderhoud van deze infrastructuur, een verantwoordelijkheid die wettelijk werd vastgelegd. De focus verschoof daarbij van enkel 'weg met het water' naar 'duurzaam waterbeheer', inclusief het tegengaan van verdroging en wateroverlast door klimaatverandering. Dit leidde tot de ontwikkeling van verbeterd gescheiden stelsels en innovatieve oplossingen voor lokale infiltratie en berging van hemelwater, om de waterketen efficiënter en veerkrachtiger te maken.
Joostdevree | Nl.wikipedia | Encyclo | Nonstop-riool | Zutphen | Rijnland | Gisib | Quavac