De dynamiek van de bovenverdieping berust volledig op handmatige manipulatie van de architectonische elementen. Geen statische muren. In plaats daarvan glijden houten panelen door houten geleiders in de vloer en het plafond om de open ruimte te segmenteren. Het ritme van de dag bepaalt de plattegrond. 's Ochtends verdwijnen de wanden in nissen of tegen de wand, waardoor een ononderbroken leefruimte rondom de centrale trapkolom ontstaat. 's Avonds worden de panelen uitgezet. Zo ontstaan besloten slaapvertrekken.
De bediening vereist precisie; de wanden sluiten aan op specifieke kleurvlakken op de vloer die de ideale positie markeren. De logica is visueel. Ook de raampartijen volgen deze functionele benadering. Grote glasvlakken draaien volledig naar buiten open, haaks op de gevel, waardoor de hoeken van het gebouw letterlijk verdwijnen. Binnen wordt buiten. Dit mechanische spel met panelen, scharnieren en draaipunten vormt de kern van de praktische toepassing van het ontwerp, waarbij de bewoner de ruimte voortdurend fysiek herconfigureert om aan de behoefte van dat moment te voldoen.
Het Rietveld Schröderhuis staat in de architectuurgeschiedenis bekend als een unicum, waardoor er geen sprake is van seriematige typen. In de volksmond en vakliteratuur wordt vaak simpelweg gesproken over het 'Schröderhuis'. Men moet dit ontwerp echter strikt onderscheiden van de latere 'Kernwoningen' die Rietveld ontwierp. Waar het huis aan de Prins Hendriklaan een maatwerkexperiment is — een ambachtelijke vertaling van abstracte principes — waren de Kernwoningen bedoeld als gestandaardiseerde varianten voor massaproductie. Het Schröderhuis is de radicale, neoplastische variant van het wonen. De Kernwoningen vertegenwoordigen de zakelijke, functionalistische variant.
Binnen het bouwwerk zelf is een duidelijke tweedeling in constructieve systematiek waarneembaar. De begane grond vormt de 'statische variant' van het ontwerp. Hier zijn de ruimtes grotendeels gefixeerd door traditionele, dragende muren van baksteen. Het is een concessie aan de toenmalige bouwvoorschriften. De bovenverdieping daarentegen fungeert als de 'dynamische variant'. Hier is de constructie — bestaande uit stalen balken en kolommen — volledig losgekoppeld van de ruimtelijke indeling. Dit principe van de vrije plattegrond staat in direct contrast met de beslotenheid van de onderverdieping. De bovenverdieping transformeert continu; door het verschuiven van wanden wisselt de configuratie tussen een open loft en een reeks afgesloten kabinetten. Een hybride vorm van architectuur, gevangen in één volume.
De ochtend start met een fysiek ritueel. Een houten paneel glijdt door de groef in de vloer. Klik. De wand vergrendelt in de nis. Opeens is de besloten slaapkamer weg en stroomt het daglicht ongehinderd over de volledige verdieping. Geen deuren. Geen gangen. Alleen een dynamisch krachtenveld van verschuivende vlakken die de bewoner dwingen om bewust met de ruimte om te gaan.
Op de hoek van de bovenverdieping gebeurt iets radicaals. Twee ramen draaien wagenwijd open, precies haaks op de gevel. Omdat een dragende hoekstijl ontbreekt, lost de hoek van de kamer visueel volledig op. De binnenruimte vloeit ongehinderd over in de buitenlucht. Men zit letterlijk in de open lucht, terwijl het dak boven het hoofd lijkt te zweven zonder zichtbare ondersteuning op dat cruciale punt.
Kleur fungeert in het interieur als een functioneel navigatiesysteem. Een primaire rode lijn op de vloer markeert de exacte stoppositie van een wandpaneel; het is een visuele handleiding die de ideale configuratie dicteert. De bewoner leest het huis als een partituur. Zelfs de meubels, zoals de hoekige kasten en de iconische stoelen, zijn geen losse objecten maar ruimtelijke verlengstukken van de lijnen op de muren. Architectuur en inrichting vormen één onlosmakelijk geheel.
De juridische status van het Rietveld Schröderhuis is even onverzettelijk als de bakstenen muren op de begane grond. Het object is beschermd als rijksmonument onder de Erfgoedwet. Elke fysieke wijziging, van het herstellen van een kozijn tot het schilderen van de kenmerkende kleurvlakken, is vergunningplichtig. De wet beschermt niet alleen de buitenschil. Juist het interieur met de schuifwanden en het specifieke kleurgebruik vormt de kern van de monumentale waarde. Bij ingrepen wordt getoetst aan de restauratieladder: behoud gaat voor vernieuwing.
Constructieve uitdagingen ontstaan bij de toetsing aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (BBL). Omdat het een bestaand monument betreft, zijn de eisen voor nieuwbouw zelden direct van toepassing. Men hanteert het rechtens verkregen niveau. Dit biedt de noodzakelijke juridische ruimte om de open hoekconstructie en de beperkte isolatiewaarde van het enkel glas te handhaven. Veiligheid en behoud strijden hier om voorrang. De brandveiligheid van de open bovenverdieping vereist specifieke beheersmaatregelen die binnen de monumentale kaders passen.
Sinds 2000 geniet het pand internationale bescherming door de inschrijving op de UNESCO Werelderfgoedlijst. Dit legt een zware verantwoordelijkheid bij de overheid. De bescherming stopt niet bij de voordeur. Er is een bufferzone vastgelegd in het lokale omgevingsplan van de gemeente Utrecht. Deze zone dient als visueel schild. Nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van de Prins Hendriklaan worden streng getoetst op hun impact op de zichtlijnen en de historische context van het huis. De ruimtelijke ordening rondom het pand staat volledig in dienst van het behoud van de architectonische integriteit. Geen hoogbouw die de schaduwwerking verstoort. Geen infrastructuur die het modernistische silhouet aantast.
1924 markeert de radicale breuk met de vigerende bouwtraditie. Terwijl de omliggende Utrechtse woningbouw nog stevig verankerd was in de 19e-eeuwse baksteenarchitectuur en gesloten gevelwanden, forceerden Gerrit Rietveld en Truus Schröder een vertrekpunt vanuit de abstracte principes van De Stijl. Het ontwerp ontstond niet aan de tekentafel van een klassiek geschoold architect. Het kwam voort uit de werkplaats van een meubelmaker. Deze achtergrond verklaart de technische opbouw; het huis is in feite een opgeschaald meubelstuk waarbij constructieve elementen zoals balken en vlakken elkaar visueel passeren in plaats van statisch op elkaar te rusten.
De bouwverordeningen van de jaren twintig dwongen echter tot technisch pragmatisme. Hoewel het visuele manifest streeft naar gewichtloosheid en zwevende vlakken, eiste Bouw- en Woningtoezicht een solide basis. Dit resulteerde in de hybride constructie van een traditioneel gemetselde begane grond met een progressieve, met staal versterkte bovenverdieping. Na de voltooiing fungeerde het pand decennialang als een levend laboratorium voor modern wonen. Pas na het overlijden van Schröder in 1985 verschoof de status definitief van woonhuis naar museaal object. Onder leiding van Bertus Mulder vond in de jaren tachtig een ingrijpende restauratie plaats. Hierbij werd de oorspronkelijke technische en kleurechte staat uit 1924 hersteld, waarmee de latere toevoegingen uit de jaren vijftig en zestig werden geëlimineerd om de pure modernistische intentie weer zichtbaar te maken.